elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knijf

knijf , kniif , knipmes. L. F. id. id.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
knijf , knief , Zakmes, knipmes, idem Overijselsch en Friesch, Drentsch knieft, Engelsch knife, mes, zwaard, dolk, Fransch canif, pennemes, op Schouwen knijp geheeten. Kiliaan heeft knijf voor culter (waarvan de Franschen hun coûteau ontleend hebben), gladius, doch voegt er bij: vetus (verouderd). Het dragen van een zakmes is bij de bewoners dezer landen een oud gebruik; men vindt gewag dat reeds de oudste bewoners van Nederland, de Kelten, een klein zakmes bij zich droegen en er, bij hunne maaltijden, het vleesch en brood mede in stukken sneden, zoo ze er met de tanden niet door konden komen, zie Arend, Geschiedenis des Vaderlands, I. 7. Knijf duidt bij de Middelnederlandsche auteurs een lang puntig mes of ponjaart aan. Zie Huydecoper op Melis Stoke, I. 526 en ’s mans Proeve, II. 374, alsmede Ypey, Taalk. Aanmerk. 1807, blz. 169. Vergelijk voorts mijn Overijselsch Taaleigen op niep, en daarmede weêr Dr. te Winkel, Nieuw Nederl. Taalmagazijn, I. 278. Voorbeelden van het gebruik van dit woord, volgen hier: ‘Maer als de paerdehoef de voeten quetst, de zinnen / Aen ’t hollen raecken, brult de zoon, die met een knijf / Den vader nederlegt.’ (Vondel, uitgave Westerman, VI. 11.) ‘Hoe hy een tortelduif zag van het takje vliegen, / ’t Geen hy in ’t oog had, om te snyden met zijn knyf.’ (Langendyk, Ged. 1721, I. 80.) ‘….Maar als ze zuidwaart zouden keeren, / En Aeddons vlugge hand, gewapend met de knijf, / Der forschen kop van’t wild ging scheiden van het lijf.’ (Hofdijk, Aeddon, blz. 22.)
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
knijf , knijf , (onzijdig) , knijfen , knipmes. Een stomp mes, of eenig ander puntig snijwerktuig; zie op het woord pielen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
knijf , knieft , knipmes, zakmes, Gron. kniefmest, kniefmes, knief, Friesch Overijs. knief, kniefmes, NHoll. knijf, Zeel. knijp, Oostfr. knîf, knîp, Neders. knief, kniiv, Noordfr. kniiff, Eng. knife, Deensch kniv, AS. cnif; Fransch canif = pennemes. Nederl. knijf, eigenlijk een lang puntig mes op ponjaard, dat men oudtijds nevens het zwaard op zijde droeg.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
knijf , knîf , knîfmes , (mannelijk, onzijdig) , mes.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
knijf , knîf , knîfmes , (onzijdig) , mes.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knijf , knief , knieft , zie: kniefmest.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knijf , knief* , Hoogduitsch Kneif.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
knijf , knief , mannelijk , zakmes
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
knijf , knief , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kniewe , kniefken , knipmes
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knijf , knieft , kniefte, knief, kniefmes , het, de , knieften , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, N:Rod). Ook kniefte (Zuidwest-Drenthe, zuid), knief (Zuidwest-Drenthe, zuid), kniefmes (Zuidwest-Drenthe) = (groot formaat) knipmes As hij ’n borrel op hef, muj oppassen mit hum. Um niks haalt hij de kniefte uut de buse (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knijf , knieft , kniefte , zelfstandig naamwoord , et, de; groot zakmes, knipmes, dolkmes of kleiner vouwmes, zakmes; ook wel gezegd van andere messen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knijf , knief , knieftmes, knieft , knipmes.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal