elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knippen

knippen , knippen , (transitief werkwoord) , eene hoorbare beweging met de vingers maken, met den duim en middelsten vinger knippen, iemand met een knip voor zijn neus bedreigen of uitjouwen. Van daar de spreekwijze: hij is geen knip voor den neus waard.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
knippen , knippen , (zwak werkwoord) , nagelen bij het knikkeren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knippen , knippen , in: op doem knippen = met duim en lange vinger een klappend geluid maken, dat zooveel zeggen wil als: ik heb het gewonnen! ik ben geslaagd, hoezee! enz. Zie ook: klōntje, en: knip.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
knippen , knippe , knupte/knoop, geknöpt/geknope , knippen, knipte, geknipt.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
knippen , knippe , werkwoord , in de zegswijze zôas ’t knipt is, zô moet ’t ok naaid worre, men moet de zaak uitvoeren op de wijze zoals ze is afgesproken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
knippen , knippe , knipde, haet geknip , knippen met duim en wijsvinger.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
knippen , knippe , stier onvruchtbaar maken zonder te snijden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
knippen , knippen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , knippen Most dien haor knippen laoten hest het zo lang in de nakke (Bco), Wat hef die kapper mij slecht knipt (Sle), Dakpannen knippen deej met ’n knieptang (Sle), Wij moot nog balken knippen de garven die op de slieten lagen en daar doorheen staken, aan de onderkant afknippen (Die) *Knippen en scheren, zee de kerel tegen de kapper, mor hie was kaol en har gien baord (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knippen , knippen , werkwoord , 1. knippen 2. bij het knikkeren: schieten tussen duim en wijsvinger vandaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knippen , knippe , werkwoord , knipde, geknip , knippen , VB: Z'n nëgel knippe.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
knippen , [foto's maken] , knippe , flitsen, foto maken , Ik bén dur de verkeerspliesie geknipt. De verkeerspolitie heeft mij geflitst.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
knippen , knippe , werkwoord , kniptj, knipdje, geknipdj , 1. knippen; emes ein uigske knippe – knipogen naar iemand 2. fotograferen (Duits: knipsen)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
knippen , knippe , zwak werkwoord , knippe - knipte - geknipt , knippen; WBD een gleuf aanbrengen in het deegbrood
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal