elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kneerten

kneerten , [drentelen] , knirten , (intransitief werkwoord) , kneerten, knijpen, drentelen. Men past dit woord veelal toe op de pijnlijke beweging van eene koe die kalven wil: zij loopt of staat gedurig te knirten en te knijpen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kneerten , knirtjen , knitjen , kinderachtig zuinig zijn; dingen, beknibbelen bij een koop. Synoniem met: prietjen. (Door het uitvallen der r = knirtjen)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kneerten , kneerten , knirten , (zwak werkwoord, intransitief) , Daarnaast knirten. – 1) Door de neus spreken. || ’t Is wel ’en aardige meid, maar ’t is spijtig dat ze zo kneert. 2) Zeuren, klagend zaniken over allerlei werkelijke en ingebeelde narigheden. || Ze zit altoos te kneerten. Hou nou toch op mit dat kneerten. – Evenzo te Andijk (Navorscher 21, 531). In de Beemster gebruikt men knirten, kneerten, van de pijnlijke beweging die een koe maakt als zij kalven moet. || Zij loopt (of staat) gedurig te knirten en te knijpen (BOUMAN 57). Te Edam zegt men kniertig in de zin van drenzerig, zeurig, en kniert voor gierigaard. – Vgl. ook Mnd. knirten naast knirsen, knarsen. – Zie kneert, knirt en gekneert.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kneerten , kneerte , knierte, knirte , werkwoord , 1. Door de neus praten. 2. Kreunen, knijpen, pijnlijke bewegingen maken bij het kalven. | Dat stomme dier kneert al puur zô’n toid. 3. Een piepend geluid maken, o.a. van scharnieren. | Die deur kneert. 4. Klagen, zeuren. 5. Gierig zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal