elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knorf

knorf , kneurf , (mannelijk) , en stevegen kneurf, een lomp-gebonkte en sterk gespierde kerel. Hd. knorre. Eng. cnur. L. F. knoärre, knobbel, knoest, bonk, klomp.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
knorf , knurf , (mannelijk) , knurven , knobbel, bonk, verharding, kliergezwel. Dat wordt een heele knurf.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
knorf , knö̀rf , (mannelijk) , sterke kerel, knarsbeen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
knorf , knorf , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knùrve , groot zwaar exemplaar
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
knorf , knörf , 1. onbehouwen persoon; 2. klein, gedrongen persoon; 3. knoest (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal