elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knorren

knorren , gnorten , (intransitief werkwoord) , knorren, grommelen. Het varken gnort; vandaar het spreekwoord: “Zij worden gnortende vet.” De beteekenis wordt door den klank van het woord aangegeven.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
knorren , knorren , (knòrrǝ) , (zwak werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. – Knorren na iets, sterk verlangen naar iets (Krommenie). || Ik knor der al na.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knorren , knoeren , (zwak werkwoord, intransitief) , Met een brommend geluid spreken; van iemand die door de neus of diep uit zijn keel spreekt (de Wormer). || Hij knoert zo deur zijn neus (of in zijn keel). – Evenzo in Oost-Friesl. knûren, gnûren, knorren, brommen (KOOLMAN 1, 654). Zie verder Ned. Wdb. V, 177 op gnorren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knorren , gnorten , (zwak werkwoord, intransitief) , 1) Knorren; van varkens (de Wormer). || Hoor die varkens ers gnorten. Al gnortende worden ze vet. 2) Grommen, pruttelen; van personen (de Wormer). || Waarom zit je zo te gnorten? Och, ’t is ’en mopperaar, hij gnort altijd. In beide betekenissen ook in de Beemster (BOUMAN 34). [(niet –)] Vroeger behoorde het woord tot de Holl. schrijftaal; zie Ned. Wdb. V, 178.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knorren , knoorze , knorrend geluid maken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
knorren , knorren , zwak werkwoord, onovergankelijk , knorren Het zwien knort veural as e biggen zoegen lat (Sle), Moej die olde auto ies heuren knorren (Klv), De maoge ken joe knorren van de honger (Vtm), Hol toch ies op te knorren mopperen (Hijk), Zit toch niet de ganse dag bij de wieven in hoes te knorren (Pdh), Hij knort as ’n zwien (Row) *Schippers en boeren wordt net as heur varkens knorrende vet! (Hgv), zie ook bij knaoren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
knorren , knoerken , knorren van varkens.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
knorren , knörren , knorren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
knorren , knorren , werkwoord , 1. knorren door een varken 2. snurken op een wijze die aan knorren in bet. 1 doet denken 3. z’n misnoegen uiten, berispen, mopperen 4. knorren van de maag
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
knorren , knorrende , uitdrukking , Ze klaoge altijd maor ze worre knorrende vet Ze klagen wel altijd, maar het gaat hen voor de wind
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
knorren , knörre , in stukken gehakte ruggestreng van een varken.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
knorren , knörre , knorren.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
knorren , knörren , (werkwoord) , knörren, eknörd , knorren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
knorren , knoorze , werkwoord , brommen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
knorren , knórre , knórtj, knórdje, geknórdj , knorren , Eine boer en ei verke waere knórrendj vèt.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
knorren , knorre , winden laten
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal