elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knuttig

knuttig , [pittig] , knuttig , (bijvoeglijk naamwoord) , knutterig, pittig, beknopt. Een knuttig ventje, wat staat haar dat mutsje knuttig. Al wat klein en snedig is: een knuttig bruidje.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
knuttig , knuttig , (bijvoeglijk naamwoord) , Aardig, lief, klein en netjes. Hetz. als Ned. knutterig; zie de wdbb. en DE JAGER, Freq. 2, 269. || Wat ’en knuttig hoedje. ’t Is toch zo’n knuttig bruidje. Wat staat ’et je knuttig. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 58). – Vgl. knus.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
knuttig , knuttig , kneutig , bijvoeglijk naamwoord , Beknopt, klein en aardig, gezellig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal