elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koeskoezen

koeskoezen , [door elkaar stampen] , koeskoessen , (intransitief werkwoord) , mengelmoezen. Hij koeskoest alles door malkander, wat een gekoeskoes. Het woord schijnt van oostersche afkomst en vroeger uit Barbarije door onze zeelieden hierheen gebragt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
koeskoezen , koeskoese , werkwoord , in de zegswijze alles deur mekaar koeskoese, alles door elkaar mengen. Het woord is een afleiding van koeskoes = mengelmoes.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
koeskoezen , koeskassen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Midden-Drenthe) = klaarmaken van eten Wat hes toe daor terecht koeskast (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal