elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: korrie

korrie , [kruiwagen] , korrie , (vrouwelijk) , korries , kordewagen, kruiwagen, kor, handwagen. Een eenwiels wagentje met twee handvatsels of armen, zeer onderscheiden van vorm, constructie en bestemming; waarvan de mestwagen, zoo als die bij vele boeren hier nog in gebruik is, zeker wel de lompste figuur uitmaakt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
korrie , kōrre , (Stad-Groningsch); voertuig, soort van vrachtwagen. Verkooping van “7 straatwagens, 2 echte korren op veeren, 2 stempelkarren”. (1880).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
korrie , kortje , korretje , (kòrtjǝ) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Daarnaast korretje. Kinderspeelgoed. Een klein wagentje, dat de kinderen aan een touw achter zich aan trekken (de Wormer). || Och, is zijn kortje ‘broken? – Zie verder op korrie.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
korrie , korrie , (kòrrie, met klemtoon op kòr) , (zelfstandig naamwoord) , Een lage houten wagen op vier wielen; in het bijzonder de lage houten bak op rolletjes, die op Luilakmorgen (zaterdag voor Pinkster) voor dag en dauw door een groot aantal jongens onder groot geschreeuw aan een lang touw wordt voortgetrokken, terwijl er beurtelings één hunner op plaats neemt. || De jongens lopen weer mit de korrie. Gaan je morgen mee mit de korrie. We hebben mit de korrie na Assendelft ’eweest. – In de Wormer ook een lage houten kinderwagen. || Krui ’em wat in zijn korrie heen en weer. – Aldaar worden de wagentjes, die de kinderen als speelgoed gebruiken, met de verkleinvorm kortje of korretje aangeduid. – In de Beemster wordt korrie gebezigd in de zin van kruiwagen, eenwielde wagen met twee handvatten (BOUMAN 60). Aan de Zaan is deze bet. onbekend. Een kruiwagen heet daar krood. – Korrie is misschien een oude verkleinvorm van kor; vgl. norrie naast nor. Het woord zal wel samenhangen met Gron. körrewoagen, onoverdekt rijtuig met vier wielen, waarvan de bak onmiddellijk op het stel rust (MOLEMA 220). Korriewagen in de zin van kinderwagen is in Utrecht gebruikelijk (Tijdschr. 12, 122). Dat deze woorden verwant zijn met krood en krodewagen, kruiwagen, waarnaast kordewagen en in Brab. korrewagen voorkomen (vgl. Mnl. Wdb. III, 2117), is twijfelachtig. In Friesl. is zowel korre als krode in de zin van kruiwagen in gebruik. Zie verder Tijdschr. 12, 121 vlgg., en vgl. kor.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
korrie , kōr , (o.a. in advertenties) = körrewoagen*.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
korrie , korre , vierwielige landbouwwagen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal