elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krasser

krasser , [krasijzer] , krasser , (mannelijk) , krassers , een ijzeren weêrhaak aan den looper van eene narrenslee.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
krasser , krasser , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Krasijzer, ijzeren weerhaak aan de loper van een arreslede. – Evenzo in Waterland (BOUMAN 60) en waarschijnlijk ook elders.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krasser , krasser , zelfstandig naamwoord de , 1. IJzeren weerhaak aan de loper van de arreslede. 2. Iemand die gebrekkig schaatst. 3. Iemand die gebrekkig viool speelt. 4. Opschepper, snoever.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal