elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krokken

krokken , [sneeuwen] , krokken , (onpersoonlijk werkwoord) , Het krokt, er valt fijne sneeuw. Er zal sneeuw komen, het begint alreeds te krokken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
krokken , krokken , (zwak werkwoord, intransitief) , Fijn sneeuwen (de Wormer). Zie krok. || Kijk, wat begint et te krokken. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 61). Vgl. ook BERKHEY, Nat. Hist. 1, 289: “Somtijds is de Sneeuw sterk met fyne hagel gemengd; en zulk een Hagel- en Sneeuwbui kan wel van eenigen duur zyn: dan zegt men dat het Krokt, of Kraaksneeuwt; om dat de harde Hagel, met de Sneeuw gemengd, kraakt, als men ’er over gaat.”
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krokken , krokke , werkwoord , Zeer fijn sneeuwen. Vgl. Fries krôkje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal