elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lakken

lakken , [vals beschuldigen] , lakken , (transitief werkwoord) , valsch beschuldigen, lasteren. Dat kunt gij hem niet lakken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lakken , lakke , lakde, haet of is gelak , lakken; emailleren, ’ne Gelakden tob: een geëmailleerde emmer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
lakken , lakken , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. lakken Die stolen bint zo kaal die wil ik nog ies wèer lakken (Hijk), Wij hebben de deur zölf lakt (Zui) 2. (Zuidoost-Drents zandgebied), in Die heb ik der mooi in lakt voor de gek gehouden (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal