elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lamlendig

lamlendig , lamlendig , (bijvoeglijk naamwoord) , zwak in de lenden, dat is een lamlendig paard.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lamlendig , lamlendîg , naar, armzalig, armoedig, bekrompen, iets minder sterk dan: ellendig; ’t is hier ’n lamlendege boudel, sterker dan: lamme boel. Meer algemeen is het hiermede overeenkomende: lammenoadîg of lammenoardîg, maar ziet dan meer op personen, vooral op gierige menschen; ’n lammenoadege kerel = een kleingeestige, hoogst bekrompene, karige vent; den Haag: lammenadig = in hooge mate lam, sukkelachtig. (v. Dale: lamlendig = zwak, slap in de lenden; fig. = lui). Synoniem met lamlöttig; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lamlendig , lamlendig* , vgl. lamstroal *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lamlendig , lammenadig , bijvoeglijk naamwoord , lamlendig, geen fut hebbend (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Vergelijk het franse lamentable , ‘droevig, jammerlijk, erbarmelijk’. Van Dale (1992, p. 1614) ziet er echter een samenstelling in, van lam en een onzeker tweede deel, dat ‘niet onmogelijk van genade in de Middelnederlandse betekenis ‘ootmoed’ komt. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 83) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 123).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
lamlendig , lamlendig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lamlendig Ik kriege vaste griep ik bin zoe lamlendig as de pest (Bro), Hij is an de borrel wes, noe vuilt e zuk echt lamlendig (Bov), Hie is nog te lamlendig um rechtoet te kieken (Oos), zie ook lam
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lamlendig , lamlendig , 1. te beroerd om iets te doen, onwillig; 2. ziek
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lamlendig , lamlendig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. lusteloos, zich futloos, ellendig, ziekelijk voelend 2. lui
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lamlendig , lamlenjig , lamlendig , Ich veul mich lamlenjig vandaag.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
lamlendig , lammenadig , bijvoeglijk naamwoord , lammenadige , lamlendig: zich lammenadig veule – zich lamlendig voelen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
lamlendig , laamlendjig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , lamlendig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal