elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lebbig

lebbig , [zuur] , lebbig , (bijvoeglijk naamwoord) , onsmakelijk, zuur. De kaas smaakt lebbig, een lebbig gezigt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lebbig , lebbig , bijvoeglijk naamwoord , Zie lebberig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lebbig , lebbig , bijvoeglijk naamwoord , 1. zeer onvriendelijk en scherp reagerend, bits uitvallend 2. brutaal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal