elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leuk

leuk , leuk , wordt hier, even als op veel andere plaatsen in ons land, niet zoo zeer gebruikt in den eigenlijken zin, als wel in een overdragtelijken. Zoo spreekt men b.v. van een leuke vent; hij houdt zich leuk enz. Deze uitdrukkingen hoort men ook nog in Noord-Holland. Zie De Jager, Taalk Mag. III, bl. 513. [Aanvulling J. van Lennep: ook dit woord is in den overdrachtelijken zin zoo algemeen gebruikelijk, dat het niet als taaleigen aan een byzondere plaats kan worden toegekend.]
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
leuk , leuk , (bijvoeglijk naamwoord) , warm, luw. Het is daar leuk, matig warm.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
leuk , lök , lü̂kes, lük , (bijvoeglijk naamwoord) , gesloten, grappig; ’n löken kèrel, hé zeg n(i)eet völle; leuk; weinig; kom es lük kuieren, kom eens wat praten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
leuk , leuk , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Leuk, aardig, gezellig, in de zegswijze leite we ’t leuk houwe en spore bloive, laten we geen ruzie maken. Letterlijk laten we het gezellig houden en in het goede spoor blijven. 2. Vreemd, zonderling. | Ik vind ’t maar ’n leuk moidje, ze lacht altoid zô leuk. Wat ’n leuke bedoening. 3. Vervelend, onbestemd. | Ik hew ’n beetje ’n leuk gevoel in m’n maag. 4. Zwoel, drukkend, broeierig. | ’t Is leuk weer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
leuk , leuk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , leuk Wat een leuk kèreltien! (Sle), Ik vin dat niet leuk meer (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leuk , loek , loeks , bijvoeglijk naamwoord , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook loeks (Midden-Drenthe) = 1. leuk, grappig, parmantig (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Het is wel een loek jongie (Die), Wat is dat jao een aordig kind, dat wichien, het kek der zo loeks oet (Hijk), Dat is ok een loeks geval een grappig geval (And) 2. leep, listig (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Tegenwoordig wordt ze aordig loek: zie zèeit tarwe um bieten toe, dan hoeft ze gien kanten roon (Sle), Hij gaaf een loek antwoord gevat (Dwi), Griet die was ze allemaole te loek of (vd), zie ook loekem
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leuk , loekem , bijvoeglijk naamwoord , (Veenkoloniën) = slim, gevat Dai is loekem! (Twe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal