elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lollepot

lollepot , lollepot , (mannelijk) , lollepotten , koffijpot, konkelpot, een zekere soort van koffijketel, vroeger meer algemeen, nu nog bij enkelen in gebruik. In overdragtigen zin zegt men van iemand, die veel en vervelend praat over niets beteekende dingen: ’t is een lollepot.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
lollepot , lollepot , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , 1) Een koffiepot van bepaald model. Ook bij afkorting lol; zie aldaar. || Zet de lollepot maar op et vuur. Ze huilt tranen mit tuiten, as lollepotten zo groot. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 64) en waarschijnlijk ook elders. Een lollepot is wel eigenlijk een pot die staat te lollen, d.i. boven een test of komfoor wordt gewarmd; van lol, vuurtest, dat o.a. voorkomt bij VAN DER VENNE, Belach. Werelt 119; bij KIL. lollepot, foculus, olla vaporaria, d.i. test, vuurpot. 2) Iemand die de ganse dag zingt of neuriet. || Wat ’en lollepot. – In de Beemster iemand die voortdurend zeurt (BOUMAN 64). Vgl. Ned. lollen, zingen, neuriën; zeuren. Een dergelijke woordspeling vindt men in brijpot; zie aldaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
lollepot , lòllepot , zelfstandig naamwoord de , 1. Gezellige babbelaar. 2. Zeurpiet. 3. Leuteraar.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal