elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: luur

luur , luur , (vrouwelijk) , luren , luier. Het kind in de luren steken, inbakeren. Luurbak, luurmand. Men zegt ook wel, iemand in de luren steken, d.i.: bedriegen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
luur , lü̂̂re , Luier (van wol). De witte linnen luiers heeten kindsdôken of pisdôken. Zie dat woord.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
luur , lü̂re , Luier (van wol). De witte, linnen luiers heeten kindsdôken of pisdôken. Zie dat woord.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
luur , loere , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , loern , loerkn , flanellen doek in kinderbed
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
luur , luur , luier
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
luur , luur , zelfstandig naamwoord de , Luier (verouderd). Meervoud lure. Vgl. Nederlands in de luren leggen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
luur , luure , luier.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
luur , luur , zelfstandig naamwoord , luure , luurtie , luier Da’ grôôte kind liep nog altijd meddun luur om Dat grote kind liep nog altijd met een luier om; Lae je nied in de luure legge Laat je niet belazeren
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal