elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mal

mal , malje , (onzijdig) , maljes , voorbeeld, mal, schapseljoen. Hij maakt malje naar malje.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
mal , [lelijk, onaangenaam] , mal , leelijk, onbehagelijk, onaangenaam; het ruikt mal = het stinkt. Ook = boos; mal um wodden = boos om worden; iemand de kop mal maoken = hem boos maken; ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mal , mal , in: hij zee zoo veur den mal = hij zei het uit gekheid, uit de grap, ʼt was geen ernst. (Nederl.: voor den mal houden = voor den gek houden).
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mal , mal , voor: verzot; zij is mal naor hum = zij is verzot op hem, Gron. zij is gek op hōm.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mal , mal , (Ommelanden) = boos, kwaad, driftig; hij wōr d’r mal om dou ik dat zee = hij werd er boos om toen ik dat zei; “hai is maal op mie” (Hoogeland) = hij is boos op mij; ’t jōng is mal (Westerkwartier) = ’t pōtje is kwoad (Oldampt) = de kleine is lastig, verdrietig, schreit (doch niet van pijn); iemand de kop mal moaken = hem driftig maken, uit zijn humeur brengen; ’t mal vel omhebben = boos, ongemakkelijk zijn zonder gegronde redenen. – Ook = leelijk, onbehagelijk, tegengestelde van: mooi, schoon; mal weer; ’n mal klijd (kleed); ’n malle smoak in de mond hebben. (Hier kon telkens ook: lelk staan.) – ’n malle boudel = een netelig geval, eene lastige zaak; da’s mal doun (= missêlk doun), bv. van eene fopperij waarover men zich boos maakt; da’s mal zeggen = dat is beleedigend, daaraan moet men zich ergeren; ’t rōkt mal, (ook Drentsch) In ’t Goorecht: mal = ongehoorzaam, van kinderen gezegd. – Ook, evenals in ’t Nederlandsch voor: zot, dwaas, kinderachtig. Zoo zegt men schertsend tegen een meisje, dat zich wat zonderling gedraagt: malpeerd, malschip, malhibbel, malblad, (Oostfriesch mallblatt) malhab, (wellicht verkorting van malalbert (malle Albert); ook: maldekens, (eigenlijk: malle, gekke Dekens, die te Groningen heeft gewoond en steeds antwoordde op de vraag: wat zeg ie d’r van Dekens?’k zeg niks, ’k hol mie doodstil. (Vandaar het: ’k zeg niks, enz., zee Dekens, wanneer men zich niet wil uitlaten en toch van afkeuring doen blijken). De beide laatste woorden voor jongelingen. Verder: malfōdse (Oostfriesch matsfots, matzfott, Westfaalsch matsfuetse = verachtelijk vrouwmensch); – veur malrepel, malrevel, malrekel, maljan speulen, zooveel als: allerlei zotte dingen zeggen of doen, opdat men er om zal lachten, met zich laten sollen; halfmalle = mensch, die zich dwaas, belachlijk aanstelt. – Ter versterking van een begrip, in: dat scheelt ’n mal bult = dat verschilt heel veel; ’t scheelt gijn mal bult = ’t verschilt wel maar toch niet veel; ook: ’t komt er zeer nabij, bv. van een’ tijd gezegd; (vgl. dol veel); ’t wordt mal loat, ’t is nog mal duuster; ’t duurt mal lank; ’t duurt nijt hijl mal bōt lank, enz. – mal (ook: gek, wies, en loos) met iemand wezen = daarvan ontzettend veel houden. ze innig liefhebben, en daardoor dikwijls vertroetelen of verwennen; de moeder is mal mit heur kind; de hond is mal mit zien jongen, ’t schoap mit zien lammer; het meisje met hare pop; de man is mal met zijne vrouw, enz. – Spreekwoord: Old mal gait boven al = oude menschen zijn dikwijls nog dwazer dan jongen met betrekking tot vrijen en trouwen; Oostfriesch: Old un mal geid bofen al mal. – Hij haut’r (slaat er) in om as maljan mank de hounder = hij slaat er in ’t wilde, in ’t honderd op in; Oostfriesch mall Jann = gek mensch). – Malle mensen en graue törven, doar is gijn recht over = het gaat hoogst moeilijk een onverstandig en nukkig mensch tot zijn’ plicht te brengen, met dezulken is geen wijsheid te plegen, en ontleend aan de onbelaste grauwe fabrieksturf. – Mal schipper, mal törf, nagenoeg zooveel als: zoo heer zoo knecht, enz. – Oostfriesch mall = erg, vreeselijk, Noordfriesch mal = loos, dol, wild; Latijn malus = slecht, hatelijk, verkeerd, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mal , mal , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Zegsw. Alles maltje na maltje doen, alles op één manier doen, ’t een precies zo doen als het ander. Evenzo in de Beemster, doch men zegt daar malje (BOUMAN 66).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mal , mal* , (versterkend bijwoord), vergel. dōl * en gek *; pleonastisch in: ’t duurt nijt hijl mal bot lank, vgl. bōt *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mal , mal , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Mal, dwaas. 2. Drukkend, broeierig. | ’t Is mal weer. Zegswijze mal of dral weze, onevenwichtig, wispelturig zijn. Het woord dral heeft o.a. de betekenis van stevig, stevig gedraaid in deze zegswijze wellicht van ‘stevig staand’, dus evenwichtig. – Tussen mal en vroed weze, nog niet volwassen zijn, nog puber zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mal , malje , maltje , zelfstandig naamwoord ’t , Malletje, voorbeeld, schapseljoen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mal , mal , mannelijk , malle , melke , vorm, model.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
mal , mal , maal, maol , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook maal (Noord-Drenthe), maol (Midden-Drenthe, Ros) = 1. dwaas, raar, gek Die kerel hef zukke malle fratsen (Eke), Het is mal zeggen van die kerel (Sle), Dat is wel zo’n maal kaalf, die Geert (Eev), Hie kan maal oet de houk kommen asmangs (Eex), Het mal vel anhebben gek doen (Ndo) 2. ongezond, lelijk Hij is der wal weer oet het ziekenhoes, mor hij hef nog een malle kleur (Ndo), Wat heb ie jao een malle stee an de kop (Dwi) 3. vervelend Het is vandage toch wel zo’n malle dag, het leup alles in het honderd (Rui), Het is een maal kind, het döt niks as aander kinder taargen (Eex) 4. slecht Wat is het vandaog toch weer maal weer (Gie), Het komp mij mal oet (Sle), Maok mie de kop neit maal mit dien gezeur (Erf) 5. vies Wat hef dat een malle smaak (Bov) 6. erg Nou moej het niet te mal maken (Bei), Det was een malle klap, mit det onweer (Pes) 7. gek op Hai is hailendal mal met zien klainkind (Zui) 8. in der mal zitten a. onbereikbaar zijn b. geen geld hebben (Sle) en in der mal mit zitten er mee in de maag zitten (Bov) *Laot de gekken mar lullen. Wat zeg ie, malle (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mal , mal , de , mallen , model, voorbeeld De wagenraan worden eerder in de mallen of etekend (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mal , mal , maal , het, de , Ook maal = het slechte Hij hef alles metmaakt, mal en mooi Verder in op het mal wezen raar doen Het weer is heilmaol op ’t mal (Bov), en in veur de mal holden voor de gek houden
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mal , mal , gek. Malle fratsen ‘vreemde gedragingen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mal , malle , model, mal
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mal , malle , zelfstandig naamwoord , de 1. mal: gietvorm, model waarnaar iets gemaakt wordt 2. tekenmal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mal , malle , (zelfstandig naamwoord) , mal, model.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
mal , mooldje , zelfstandig naamwoord , mooldjes , mengtrog, baktrog, kuip (gemonteerd op vier poten)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
mal , moolje , mooldje , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , mooldjes , kneedtrog
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal