elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: malbol

malbol , [kaas] , malbol , (mannelijk) , malbollen , in het begin dezer eeuw en vroeger maakte men hier onder meer andere soorten, kazen van 15 oude ponden zwaar, malbollen geheeten. Ik heb in mijne jeugd de vormen waarin ze gemaakt werden nog wel gezien, doch al sedert langen tijd worden ze niet meer gemaakt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
malbol , malbol , zelfstandig naamwoord , 1. Dwaas persoon, grapjas, spotboef. 2. Ouderwetse kaas van 15 oude ponden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal