elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: maljagen

maljagen , [gekscheren] , maljagen , (intransitief werkwoord) , op malligheid jagt maken, malligheid maken, gekscheren, iemand met zotternij kwellen. Het is maljagerij.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
maljagen , maljage , werkwoord , 1. Gek doen, ravotten. 2. Kinderachtig of aanstellerig doen. Vgl. Fries maljeije.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
maljagen , maljagen , zwak werkwoord, onovergankelijk , donderjagen Wat bint de kinder van de buren weer an het maljagen (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal