elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mans

mans , mans , mansch , sterk, groot, aanzienlijk. Het wordt hier weinig gehoord.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mans , [niet dragende koe, geit, enz.] , mans , mansch , eene niet dragende koe, geit, enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mans , [sterk, krachtig] , mans , (bijvoeglijk naamwoord) , sterk, krachtig. Hij is veel mans. Men zegt van eene vrouw, die niet spoedig verlegen is en den mond goed tot haar wil heeft: dat wijf is mans.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
mans , mans , in: hij is wat mans = hij is sterk, of: rijk, of: hoogstbekwaam, heeft het ver in eenige kunst of wetenschap gebracht, enz., en kan alzoo veel uitvoeren, tot stand brengen, veel invloed uitoefenen; hij ’s mie mans genog veur ’t geld = ik acht hem volkomen in staat om die som te kunnen betalen; hij ’s mie te mans = hij is mij de baas; hij is veulmans = hij kan veel doen, aan de macht ontbreekt het hem niet. – Ook de vergrootende trap; manser (Ommelanden) = meer mans, of: meerder mans; hij is manser as toe; disse is manser as deie, dat is dikker, grooter, zwaarder. Friesch mansker. – Noord-Hollandsch mansch = sterk, groot; Oostfriesch manns = krachtig, sterk; Noordfriesch Ick bän’r mönns faar, Hoogduitsch Ich bin dir Manns dafür. (v. Dale: mans, bijwoord: hij is mans genoeg = hij is wel in staat (tot iets))
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mans , mans* , ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mans , maons , mans. Hei is wat maons.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mans , mans , voor iets bekwaam zijn
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mans , manze , zelfstandig naamwoord de , Oude landmaat. Uit Frans manse.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mans , maans , mans , bijvoeglijk naamwoord , Ook mans (Veenkoloniën, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). In de uitdrukkingen 1. Wat maans wezen a. wat mans zijn Oonze knecht is heel wat maans, een volle waegen schof ie zo mor vort (Die) b. geld hebben Die is er mans genog veur um die boerderij te kopen (Odo) 2. maans genog wezen a. mans genoeg zijn Hij is mans genog um daor zulf veur te zorgen (Eri), Dat kind is nog niet maans genog um zo’n operatie mit te maken (Hav) b. voldoen aan de eisen Dat wicht was je zeker niet maans genog, hè (Eex) c. in Ze binnen nog krap an maans genog amper groot en dik genoeg (Eel) d. net aankunnen Het was heur net maans genog ze kon het amper aan (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mans , maans , (Kampereiland, Kamperveen) mans
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mans , mans , krachtig, trots Die is heel wat mans nao ’t kriegn van de ârfenisse.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
mans , maans , mans , bijvoeglijk naamwoord , 1. mans, tot het verrichten van veel en moeilijk werk in staat 2. krachtig en flink van optreden 3. groot en evt. sterk in maans genoeg/zat erg moeilijk om te verrichten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mans , mañs , bijwoord , mans Hij is hêêl wat mañs Hij is heel wat mans
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mans , maans , bijwoord , De Wijs – vat die maand waas op, Fraans, ge zèt maans genog. (17-08-1964); Cees Robben – ...vat die maand waas op ge zèèd maans genog .. (19640904)       ; Henk van Rijen – mans
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal