elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mei

mei , mei , meitak. Zie mijn 1ste Taaleigen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mei , meijen , Hoeufft zegt hiervan, dat te Breda niet alleen in het algemeen de takken worden genoemd, maar in het bijzonder de takken, welke de kinderen op den 1st
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
mei , mei (oud) , (mannelijk) , de twaalfde dag van Mei, volgens den onzijdigs. In Friesland rekenen de boeren nog veel bij oud-Mei.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
mei , Mei , (mannelijk) , den olden Mei, de 10e Mei.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
mei , Mai , Mei; tusken baide Maien = tusken olle en neie Mai = tusschen den 1en en 12den Mei, dat is het verschil tusschen de Gregoriaansche (nieuwe) en Juliaansche (oude) tijdrekening; om Mai = den 1sten Mei.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mei , mei , Maai , (maai, soms mai) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Mei houden, bij de boeren in de Wormer, de landhuur betalen. Deze bet. raakt in onbruik, daar de kerstdag als betaaldag voor mei in de plaats is getreden. Gewoner is mei houden in de zin van het vee uitjagen. Evenzo in de Beemster (BOUMAN 67). Aldaar zegt men ook bij het ontijdig verhuizen van een knecht of meid: “de boer heeft mei gehouden”. Vgl. BREDERO, Spa. Brab. 1805: “Vroech mey te maken (met de noorderzon vertrekken), deur te gaan en te betalen met betstroy, daar sal ik veursien”. – Ook in Friesl. zegt een meid of knecht die uit de dientst gaat: Ik hâld Mâye.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mei , mäie , mei. Te mäie, ook: ’s mäis: in de maand mei. mäimaik: jaarmarkt die in mei gehouden wordt.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mei , maai , zelfstandig naamwoord de , Mei (maand), in de zegswijze Oud maai, 12 mei (verouderd) – Maai houwe. 1. het vee weer naar de wei brengen. 2. (voortijdig) ontslag nemen of krijgen (van een boerenmeid of –knecht) (verouderd). – Maai bai de ram, Vrouwedag ’n lam, overdrachtelijk voor: een meisje dat in mei trouwt, kan begin februari (vrouwedag = 2 februari, r.k. feest van Maria Lichtmis) haar eerste kind baren. – Mit maai skrape alle boere op de neide, met mei, dus na de lange staltijd, hebben de boeren behoorlijk ingeteerd, zodat als het ware de naden op de bodem van de geldkist zichtbaar zijn. – Mit maai: honderd boere, honderd gulden (golden), zie de vorige zegswijze
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mei , mei , mannelijk , mei, bloeimaand. Mei kuil en naat, völt de sjuur en ouch ’t vaat: mei koel en wak, vult de schuur en ook de zak. Ės ’t oppẹn eesjte mei raengent, valle de keesjen aaf: als het op één mei regent, wordt een slechte kersenoogst verwacht. ’t
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
mei , mei , mannelijk , meie , meike , meiboom; bosje bloemen, corsage; met bloemen en linten versierde tak, geplaatst op een in aanbouw zijnd huis of gebouw, zodra de gordingen en nokbalk geplaatst zijn, de zgn. “mei”. De mei is opgezat, de boeheer mót traktere: de meiboom staat op de
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
mei , maaj , zelfstandig naamwoord , Mei. 1. In de nacht van 30 april op 1 mei werd door de opgeschoten jongelui alles wat los rond huizen en boerderijen zwierf naar ’t Mèrtvèld (zie aldaar) gesleept. Dit was een restant uit de tijd dat de sociale controle nog groot was. Bij het begin van de lente hoorde men “op orde” te zijn. Wie dat niet was kreeg daarvoor op min of meer speelse wijze de rekening gepresenteerd. Zo werd eens een èrdkèèr (zie aldaar) die niet binnen stond gedemonteerd, op de nok van de boerderij gesleept en daar weer in elkaar gezet. Wel moesten enkele ongeschreven regels in acht worden genomen. Er mocht niets vernield of losgebroken worden; wat verankerd was moest blijven staan. Een symbolisch gespannen touw voor erf of oprit was voldoende om dit ongemoeid te laten. Door het niet naleven van deze regels ontaardde het gebruik allengs in baldadigheid en vandalisme, die soms het optreden van de politie noodzakelijk maakten. Dit leidde het einde in van een der laatste volksgebruiken. 2. ’n Maajbluumke is ’n madeliefje. 3. Een bekend Meiliedje luidt: In Maaj lègge alle veugeltjes ’n aai / Behalve d’n koekoek en de spriet / Die lègge in de Maajmond nie. 4. De maand Mei is bij uitstek de maand van de Mariabedevaarten. Naar d’Orschotse kapel, naar Handel, Meerseldreef, Scherpenheuvel, Kevelaer enz. Onze Lieve Vrouw van de Voort de “Bikse Lievevrouw”, kent geen bedevaarten maar wordt in deze maand extra in de bloemetjes en kaarsen gezet. Zie ook: maajtakke en dauwtrappe.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
mei , meije , struük um te versiêre.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
mei , meie , stok of tak als perceelsafscheiding b.v. bij grasverkoop op stam.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
mei , mei , meie, maai , de , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Vaak wat gerekt uitgesproken. Ook meie (rond Hgv), maai (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = mei De tienden maai mot de rogge zo hoog wèen, dat zuk der een kraaie in schoelen kan (Bco), ook ...aol maai... (Eco), Van regen in mei woj groot van (Eex), As het mei is, zit er grös of der komp grös (Pdh), Die heurt in mei de koekoek niet meer roepen hij is ernstig ziek (Pes), Vrogger gungen ze met maai vervaoren verhuizen (Row), In mei regent het grös en kievitseier (Rui), De achtste mei is hier groot mei (Koe), Met mei moet er aoren wezen (Sle), Aold mei a. 12 mei Vrouger verwisselden op de aole maai de knechts en maaiden van boer (Bov), Met aol mei moej de aoren in de rogge vinden kunnen (Exl), Der waren boeren, die vrogger vaste veur old mei de koenen niet uutleuten (Koe), Old mei muj bonen poten (Ruw), Aol mei mussen de iekenbla zo groot wezen as een kwartien, dan was der weide (Sle) b. 5 mei (Zuidoost-Drents zandgebied) Met aol mei muzzen ij het hoes oet wezen, aj met mei der oet muzzen (Bor) *In mei leggen alle veugels een ei, alleen de koekoek (Noo), ...de kwartel (Vtm), ...de tortel (Dwij), ...de kieviet (Vle), ...de grutto (Vri) en de griet, die leggen in de meimaond niet (Noo); Een natte mei gef botter in de wei (Eex); Gien meie zunder aoren, gien pinkster zunder blossem (Hgv); Mei aoren, Sint Jopk koren (Rol); 1 Mei giet geern, 2 mei giet met eren, 3 mei blif geern gezegd van in mei vertrekkend personeel (Sti); Meie koel en nat vult schuur en vat (Wsv); De koekoek röp niet veur mei en niet nao St. Job (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mei , mei , mei
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mei , maoj , mei , Natte maoj, booter in de waoj. Natte mei, boter in de wei. Natte mei, veel gras in de wei.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
mei , meie , zelfstandig naamwoord , de; mei, bloeimaand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mei , mèi , zelfstandig naamwoord mannelijk , mèimaonde , - , mei , Zw: mèi keul en näot, völt de sjeur en oüch 't väot.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
mei , mèi , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , mejke , naamdag , VB: De mèi van d'n Hêllige Giéles wörd geveerd op 1 september.; naamdag; mèij feliciteren (iemand feliciteren met zijn naamdag) 'nne de mèij sjtëke (zie 'steken') VB: Ich gelûif neet mie dat ze dat nog doén, 'nne de mèij sjtëke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
mei , mejke , zelfstandig naamwoord onzijdig , mejkes , ruikertje , mejke ruikertje VB: Ich heb mich toch zoe sjoen mejke geplök ién de Sjêchelder.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
mei , maai , mei.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
mei , mèèj , mei , De mèèj eróp. De mei erop. Het plaatsen van een vlag op het hoogste punt van een bouwwerk. De opdrachtgever dient dan op bier te trakteren.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
mei , mei , (mannelijk) , 1. maand mei 2. versierde tak op het huis
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
mei , mei , 1. mei; mei kaod en naât völtj de sjeur en auch het vaât – mei koud en nat brengt haver in schuur en vat 2. de mei: een dennenboom op het dak tijdens de bouw van een huis ten teken dat het hoogste punt is bereikt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
mei , mei , zelfstandig naamwoord , mei (maand), hoogste punt (bouw)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
mei , maaj , zelfstandig naamwoord , mei; Dialectenquête 1876 - in de Maai; Cees Robben – Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek.... (19540508); Cees Robben - ter bèèvert in de maond van maai... (19600520); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  zeuven èn meej de maaj aacht (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1972) - je kunt me nog meer vertellen; Hoera, et is wir de maond van Maai/ ons kan niks mir gebeure/ èn hil wèèreld lèèft wir op/ et barst wir van de kleure. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir volop kleur); 'Den irste zondag van de Maai/ dan gonge we te voet/ nòr de Sint Jan toe in Den Bosch/ meej ene grôote stoet. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nie zôo wèèd...); Frans Verbunt -  rèègent et in maaj, dan is april al lang vurbij; Piet van Beers – ‘’t Ôog moet ok wè hèbbe’: 'n Kriezaant, dè is ’n nòjaorsblom/ die wòrt geplaant in MAAI. (Spoeje doemmeniemer; 2009); Ast Maaj was möoge we meej ons moeder/ nor de Hasselse kepèl. (Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007); Bont zelfstandig naamwoord m. 1) mei, de bloeimaand; 2) meitak; Biks maaj - zelfstandig naamwoord  – Mei; Toch maai...; Heurde smerges vruug in de geut / musse meej veul lewaai / vèèchte èn speule meej mekaar / dan witte: Tis wir maai.' / As oewe zoon zen haore kamt / meej meer zörg vur zen schaai / oew dòchter in de spiegel kèkt / dan witte: Tis wir maai.' / As oew vrouw alle matte klòpt / rondbuunt mee veul bezwaai / èn daorbij zingt vals as en kraai / dan witte: Tis wir maai.' / Ast rèègent, haogelt, störmt èn waait / gin weer vur bos òf haai / agge rèèrt in oewen ooverjas / dan witte: 'Tòch…..ist maai.'; LECHIM;
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal