elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: melkhok

melkhok , [melkplaats] , melkhok , (onzijdig) , melkhokken , bon, afgesloten plaats waar men des zomers de koeien melkt. Bij de meeste boerderijen is het melkhok nabij de woning; daar waar het land aan losse stukken verdeeld ligt en niet dan met een schuitje te naderen is, melkt men de koeien los over het veld of bindt ze aan paaltjes.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
melkhok , melkhok , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , De afgesloten plaats waar men des zomers de koeien melkt. Het melkhok bevindt zich gewoonlijk nabij het huis. – Evenzo verderop in N.-Holl. (BOUMAN 67) en in Utrecht; in Z.-Holl. en elders spreekt men van melkbocht (Ned. Wdb. III, 20).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
melkhok , melkhok , zelfstandig naamwoord , (KRS: Lang), melkbocht (LPW: Lop) (zn) ruimte waarin de koeien ’s zomers gedreven worden om gemolken te worden Zie ook *koeihok . In de variant mellekhok ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 91). Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
melkhok , melkhok , het , bergplaats voor melk en melkspullen Het melkhok was midden in het hoes. Daor vreur het niet en daor weur de melk bewaard en het melkgerei schoonmaakt (Bor), z. ook melkenkamer
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
melkhok , melkhokke , melkjister , zelfstandig naamwoord , et 1. melkhok, melkbocht, hetz. als jister; ook: open hok in het land met dezelfde functie 2. hok waarin men de melk had staan die men verkregen had bij het melken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
melkhok , melkhok , melkhokke, melkplaotse, melkplaots, melkbun, melkh , de vaste plaats in een weiland, waar men koeien bijeendrijft om ze te melken. Soms ook de bijvoederplaats.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal