elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mestbult

mestbult , [mestvaalt] , mistbult , (mannelijk) , mistbulten , mestvaalt, de mist. Breng het maar op de mist. Meestal zijn de mistbulten hier langwerpig vierkant, achter breed en hoog, vóór meer smal en lager; ze worden netjes afgestoken en met slootmodder gedekt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
mestbult , misbult , mestvaalt, mesthoop bij eene boerderij. Ook de hoopen die men over het land rijdt, om ze later uiteen te strooien, alsmede de drekhoopjes die de beesten op het land achterlaten. Zie: bult.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mestbult , misbulde , mesthoop
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mestbult , misbult , zelfstandig naamwoord de , Mesthoop.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mestbult , mesbult , de , mesthoop Wij moet bollen steken op de mesbult (Bal), Wij wilt de mesbult nog even over de stoppel brengen (Dro), De haon kraait victorie op de mesbult gezegd van een grootspreker (Zey), Gooi die rommel mor op de mesbult vuilnisbelt (Sti), z. ook dongbult
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mestbult , mestbult , mestbulte, mesbult, mesbulte, messebult, messebult , zelfstandig naamwoord , de; mesthoop; mestbultien, mesbultien, et; klein hoopje mest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal