elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: miegelen

miegelen , miegelen , (onpersoonlijk werkwoord) , met kleine spatjes regenen. Het miegelt een weinig. Het is muggepis, zegt men, zinspelende op het miegen (mijgen) van muggen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
miegelen , [krioelen] , miggeln , krielen, wriemelen; ’t miggelt er oet, zegt men van bijen als ze driftig worden en in grooten getale uit den korf komen. (Vergel. ’t Gron. en Friesch miggeln = stofregenen, freq. vorm van: miegen; zie: mieghummel.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
miegelen , miggelen , (zwak werkwoord) , [weinig gebruikelijk] motregenen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
miegelen , miggelen , (zwak werkwoord) , motregenen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
miegelen , miegelen , mijgelen, mijgen , (onpersoonlijk zwak werkwoord) , 1) Stofregenen, motregenen. || Het miegelt ’en bietje. 2) Wemelen, krioelen. || Het miegelt in de tuin van spinnen. Het miegelde er van mensen. – Miegelen is ook verderop in N.-Holl. gebruikelijk (BOUMAN 68). In Friesl., Gron., Drente, Vlaand. vindt men in dezelfde zin miggelen; zie DE JAGER, Freq. 1, 395. – Vgl. miegen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
miegelen , miggeln* , bij v. Dale (Zuid-Nederlandsch.) miggelen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
miegelen , miggeln , motregen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
miegelen , miegele , miggele , werkwoord , 1. Motregenen. 2. Urineren (verouderd). 3. Wemelen, krioelen. Vgl. Fries miggelje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
miegelen , miggeln , miegeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook miegeln (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. zachtjes regenen Het wordt niet dreug, het miegelt mor aal deur (Anl) 2. stromen, hard regenen Het miggelt er nogal wat oet (Eel), Der zit een gat ien de daoke, het waeter miggelt der deur (Wsv) 3. krioelen (Zuid-Drenthe) Het miggelt almaol deur mekaar, het is net een mieghummelnust (Klv), Het miggelt daor van de brummels (Zdw) 4. zich vlegelachtig gedragen (Zuidoost-Drenthe) Non moej opholden te miggeln, het begunt mij te vervelen (Zwe) 5. mengen (Kop van Drenthe) Hij miggelt alle kleuren varf deur mekaor (Een)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
miegelen , miegelen , miggelen , (Kampereiland, Kamperveen) motregenen. Ook: miggelen (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
miegelen , miggelen , miegelen , werkwoord , 1. motregenen 2. vallen van fijne sneeuw 3. krioelen, wemelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
miegelen , miegele , werkwoord , plassen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal