elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: miezen

miezen , [inleg bij spel] , miezen , geld, inleg bij zeker spel. De miezen verzamelen. Hij past op de miezen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
miezen , [polsmoffen] , mizen , (meervoud) , polsmofjes.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
miezen , mieske , werkwoord , 1. Naar ongerechtigheden speuren (in het eten), kieskeurig zijn. | Niet zô mieske, eet maar op, ’oor, deer ’t komt is ’t donker. 2. Stiekem bekijken, gluren. 3. Zich ergens op een pietluttige manier mee bemoeien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
miezen , miessen , miezen , handschoenen zonder vingers.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
miezen , mieze , werkwoord , [Barg] besteden, makken Dat ister êên die veul te mieze heb Dat is er één die veel te besteden heeft
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
miezen , miezen , langdurig bezig zijn met eten op het bord, voordat je het in je mond stopt.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal