elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: modderen

modderen , modderen , (intransitief werkwoord) , flossen, beugelen, baggeren, uitmodderen, de sloot van slappen modder zuiveren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
modderen , madderen , (zwak werkwoord, intransitief) , Morsen, modden, met water plassen (de Koog). || Wat benne jollie daar weer an ’et madderen. – Bij vissers, van een niet-visser die in de vis bezig is, er in zit te knoeien: Wat maddert-i in de vis. – In de Wormer gebruikt men madderen in de zin van hard werken, zich aftobben. || Ik heb de hiele dag zo an ’t madderen ’weest, dat ik haast niet meer lopen ken. – Verderop in N.-Holl. betekent madderen tobben, sukkelen, met alle inspanning aan iets bezig zijn zonder zijn doel te bereiken (Navorscher 21, 532). Men vindt het woord ook in verschillende Ndd. dialecten, b.v. maddern, in water of modder woelen (DANNEIL), iets bederven door het te veel aan te raken (VON KLEIN), mäddeln, bezoedelen (VILMAR), madden, onhandig bezig zijn (DÄHNERT), enz.; zie DE JAGER, Freq. 2, 375. – Vgl. afmadderen en gemadder.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
modderen , modrn , werkwoord, zwak , vis vangen door het water troebel te maken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
modderen , maddere , meddere, moddere , werkwoord , Tobben, prutsen. Vgl. Boek. onder madderen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
modderen , moddere , werkwoord , 1. Baggeren. 2. Iemand voortdurend op de schouder knijpen ter plaatse waar het opperarmbeen in het schouderblad sluit (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
modderen , moddern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. vissen in troebel water. In laag water werd een stuk afgedamd en dan werd het water troebel gemaakt Aj moddern wilt, moej het water aordig smerig maken, aans koomt de vissen niet boven (Nije), z. ook voelmaken, dik II, zwartmaken 2. moeizaam gaan door modderig terrein (Midden-Drenthe) Dat laand is zo nat, daor moej deur moddern, aj der over wilt (Gas) 3. onhandig te werk gaan, knoeien Wat bin ie daor toch an het moddern, gif mij die tange mor ies even an (Hijk), Dat is gien sloot opmaken, hij moddert er maar wat deur (Noo), Zit niet zo te moddern, schrief is fatsoenlijk 4. verspreiden van veenspecie over het veld door de modderman bij het baggeren (veend.)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
modderen , modderen , 1. baggeren; 2. klungelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
modderen , modderen , werkwoord , 1. modder uit een sloot e.d. halen, baggeren 2. met modder bemorsen of bedekken 3. vissen waarbij men het water afdamt en modderig, troebel maakt door in de modder te stampen, te roeren, erdoor te lopen, ook: het water troebel maken met de bedoeling om vis te vangen 4. door de modder e.d. lopen, waden 5. knoeien, prutsen, niet handig te werk gaan, niet of nauwelijks vorderen 6. voortdurend tegenslagen ondervinden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
modderen , moddeke , werkwoord , moddik, moddikte, gemoddikt , morsen, modderen, knoeien Wat staot die maaid daer weer te moddeke? Zie ook dêêmele
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
modderen , muejere , werkwoord , muejerde, gemuejerd , troebel , (troebel worden, van water) muejere Zw: 't Klaorste wëterke muejert waol 'ns: ook bij personen die in goede verstandhouding leven zijn er wel eens strubbelingen.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
modderen , mottele , morsen, knoeien, slordig omgaan met water of met het klaarmaken van eten , stao nie zo te mottele = sta niet zo te morsen/te knoeien-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
modderen , móddele , werkwoord , rommelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal