elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: moet

moet , moet , (vrouwelijk) , moeten , indruksel, merk. De moeten zijn nog aan den wand zigtbaar, waar de spiegel heeft gehangen. Men kan aan de moet nog duidelijk zien, waar het verband het meest gekneld heeft.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
moet , mute , muete , in: in d’mute = te gemoet, Gron. in de muit, of muite, Geld. te mûte, Oostfr. in de möte, Neders. enem in de möte, of: to möte gaan, Holst. in de möt gaan; Westf. in de maüte kuemen = tegenkomen; Eng. to go to meet, Deensch at gaan een i möde; Zw. mäta, AS. gemetan, Goth. motjan, gamotjan = ontmoeten, bejegenen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
moet , [tegemoet] , mö̂te , te mö̂te kommen, te gemoet komen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
moet , môt , (mannelijk) , vlak; litteeken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
moet , mö̂te , in de mö̂te kommen, te gemoet komen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
moet , muite , muit, muid , (met korten ui-klank); iemand in de muite, of: ien muid komen, of: loopen = te gemoet gaan, van een persoon dien men verwacht; ik zel joe an Biefketil tou ien muid komen; iemand te muite komen = ontmoeten. Ommel. Landr.: te moete gedaget = gedaagd tegenover den aanklager. Drentsch in de müte, Geldersch te mûte; Middel-Nederlandsch in ’t gemoet gaan; te moet, ook reeds verouderd; Oostfriesch in de möte, Nedersaksisch enem in de möte, of: to möte gaan; Holsteinsch in de möt gaan; Westfaalsch maüte kuemen (= ontmoeten); Engelsch to go to meet, Deensch at gaan ien i möde; Zweedsch möta, Angel-Saksisch gemetan, Gothisch motjan, gamotjan = ontmoeten, bejegenen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
moet , moute , (Stad-Groningsch) = indruksel in een voorwerp. (v. Dale: moet, indruksel, door knoeien, enz. ontstaan.) Zie ten Doornk. art. môt 2 enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
moet , muite* , 2, bij v. Dale (als verouderd): “in ’t gemoet” en “te moet.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
moet , möute , (te möute) tegemoet. Hei kwöm mi te möute: hij kwam mij tegemoet
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
moet , mute , in de mute zien: verwachten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
moet , muut , mute, muuit, muuite, meuite, meute, meut, meuit, m , de , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook mute (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Klo), muuit (Midden-Drenthe), muuite (Zuidwest-Drenthe), meuite (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), meute (Zuidwest-Drenthe, Ros), meut (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), meuit (Midden-Drenthe), muit (Kop van Drenthe), muite (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), muide (Veenkoloniën), in in de muut tegemoet, ook to muite (Zuidoost-Drents veengebied), te mute (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Op het bruggien kwamen ze mekaar in de muut (Zwin), Dat peerd is zo glad, het glaanst oe in de mute (Dwij), Die komp mij al te mute (Stu), Ik har je eerder in de muut zien verwacht (Zwig), Aj iene wat in de mute koomt, geef ie wat toe bijv. in de handel (Zdw), Hij har gien geld genog en doe bun ik hum wat in de muite kommen heb hem met geld geholpen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
moet , mutte , noodzaak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
moet , mute , muut, muite, muuite, meute, moete, mete , zelfstandig naamwoord , de; in in de mute tegemoet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
moet , moetje , tante. vroeger kenden we onze tantes als “moetje kee, moetje sjo, moetje trien, enz”. onze ooms werden aangesproken met “tiestwôôm”. “jaonuswôôm” en “suuswôôm” enz.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
moet , motje , “‘t ies een motje”, “ze moeten trouwen”, omdat de bruid al voor het huwelijk in verwachting is. dit werd vroeger zwaar aangerekend.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
moet , mót , zelfstandig naamwoord, mannelijk , ‘ne -, verplichting
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
moet , moet , zelfstandig naamwoord , PM tante, oudtante (wordt achter de eigennaam gezet); Hannemoet; Verh. -MOET, ook -moei en -meuj (-mö:j) achter de naam als aanduiding van oudtante of tante: Miemoet. (zie blz. 64); Bont zelfstandig naamwoord  vr. 'moet'- tante (achter de voornaam geplaatst); ANTW. MO?T en MUT zelfstandig naamwoord v - moei, Fr. tante; wordt altijd voorafgegaan door een eigennaam: Trienemut, Annemoet. WNT MOET = moei, naam voor de tante die zuster is van de moeder...
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal