elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mollen

mollen , mollen , (intransitief werkwoord) , effenen, gelijk maken. De hoogten van het bouwland met het molbord wegnemen heet mollen. Hij is aan het mollen. Men neemt dit woord hier ook in den zin van dooden. Hij heeft hem gemold, hij zal hem wel mollen, dood maken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
mollen , möllen , eene oude maat in Westerwolde, plusminus 7 voet. Vóór de verdeeling der Onstwedder marktegronden, in 1827, werd het aandeel van iederen boer berekend naar möllenwoars; nog is zij te Onstwedde de eenige boerenlandmaat.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mollen , mollen , (zwak werkwoord, transitief) , Aanhalen, liefkozen, pakken en zoenen; vooral van een mollig kind. || Ik moet je ers effen mollen. ’t Is zo’n lekker kind, je zou ’et wel ers willen mollen. – Ook doodslaan, doodsteken. || Ze hebben ’em ’emold. – Het woord is ook elders gebruikelijk. Vgl. DE JAGER, Freq. 1, 404 vlg. – Zie doodmollen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
möllen , möllen , (ouderwets), lengtemaat van 7 voet
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mollen , molle , werkwoord , Beschadigen, kapot maken. Vgl. Bargoens mollen = van kant maken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mollen , molle , molde, haet of is gemolt , bargoens: doden; stuk maken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
mollen , mollen , zwak werkwoord, overgankelijk , kapot maken Hij molt zien neie fietse heilemaol (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mollen , mollen , illegaal slachten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
mollen , mòllen , werkwoord , stuk maken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mollen , molle , werkwoord , mol, molde, gemold , weiland egaliseren met een molbord
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mollen , molle , werkwoord , mol, molde, gemold , mollen vangen Vroeger gonge me in de winterdag molle, mêêstal met een spao en een klaain hontjie. Voor de pôôtjies kreege me vijf cente van de gemêênte en de mollehuie verkoche me an een opkôôper in Dordt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
mollen , mölle , wederkerend werkwoord , mölde, gemöld , inspannen , (zich erg inspannen) zich mölle VB: Dè hèt zich éch môtte sjênne vuur dat wérk ién ty vêrdig te kriége.; vrijen mölle
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
mollen , molle , werkwoord , vernielen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal