elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: motvogel

motvogel , [insect] , motvogel , (vrouwelijk) , motvogels , motuil, een vliegend insect dat zijne eitjes legt in wollen stoffen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
motvogel , matvogel , motvogel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast matveugel. Ook in verkl. matvogeltje, matveugeltje. Mot (de vlindersoort), Lat. Tinea. – Soms spreekt men, onder invloed van Ned. mot, ook van motvogeltje. || Slaan die matvogel dood. Pas op, dat er gien matveugeltjes in de klerekas kommen. – Ook het insect, dat gewoonlijk suikergast heet, Lat. Lepisma saccharina L., wordt wel matvogel genoemd. – Matvogel, mot, is ook elders in N.-Holl. bekend (Navorscher 7, 149). In de Beemster zegt men motvogel (BOUMAN 67). Vgl. verder mat. Vogel als tweede helft van vlindernamen is zeer gewoon, vgl. b.v. bij KIL. botervogel, pellevogel, pennevogel (pannevogel) en somervogel voor vlinder; zo ook in andere Germ. dialecten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
motvogel , matveugel , motveugel , zelfstandig naamwoord de , Mot, motuil of -vlinder (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal