elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: muffen

muffen , [stinken] , muffen , (intransitief werkwoord) , een onaangenamen reuk van zich geven; het muft. Ook voor de daad van ruiken: hij muft het al. “Zwijg zoo lang het stinkt,” zei grootje “dan zal ik het wel muffen.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
muffen , müffen , Euph. voor stinken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
muffen , müffen , Euph. voor stinken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
muffen , muffe , werkwoord , 1. Ruiken. | Ik muf niks. 2. Muf ruiken, stinken. | ’t Muft hier.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
muffen , muffe , werkwoord , stinken (KRS: Coth, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 93).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
muffen , muffm , stinken. Jonge, iej muf aoreg, hej d’r iene laotn gaon?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
muffen , muffen , werkwoord , stinken door winden te laten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
muffen , muffe , werkwoord , muf, mufte, gemuft , [O] jaloers zijn Je mag d’r op muffe Je mag er jaloers op zijn
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal