elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: naaroog

naaroog , [nare jongen] , naaroog , (bijvoeglijk naamwoord) , nare jongen, zoo noemen de meisjes dikwijls een vrijer, die niet regt in den smaak valt, omdat hij er somtijds schik in heeft anderen te plagen en te kwellen. Het is een naaroog van een jongen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
naaroog , naaroog , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een naar, onaangenaam persoon. || ’t Is toch zo’n naaroog, altijd treitert-i je. Deer is die naaroog weer. Naaroog, schei uit! – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 71)
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
naaroog , naorôôg , zelfstandig naamwoord , naorôôge , naorôôchie , [O] naarling Die neef van jou da’s ôk een naorôôg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal