elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nes

nes , nes , eene bepaalde vlakte met bouwlanden. Eig. een moerassig veld. Isl. esia, drassige grond. Meijer. Nes, waterleegte, zijp.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
nes , nesk , (bijvoeglijk naamwoord) , los, slap, zwak. Men noemt eene melkkoe nesk, als de melk onwillekeurig uit de spenen vloeit. Het is een gebrek aan de spenen, ontstaande door zwakte of verlamming der sluitspieren die de sterke aanpersing van de melk niet kunnen weerstaan.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
nes , nesse , (mannelijk) , lage, waterachtige streek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nes , nesk , (bijvoeglijk naamwoord) , zie nes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nes , nes(II) , (nesk) , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Vochtig, week, van buitendijks land, nesland. Ongebruikelijk. Zie nes. || Dat neske lant ten Ye, Polderl. Assend. I, f° 67 v° (a° 1600). Dat neske lant, ald. f° 97 r°. Dat neske lant, genaempt die vuyterdijck achter sijn huys, ald., f° 322 r°. Die neske vuyterdijck aent neskelant, ald., f° 279 r°. Die vuyterdijck aent neskelant van Maerten Scout, ald., f° 328 r° (a° 1600). – Neskland is hetzelfde als nesland.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nes , nes , (zelfstandig naamwoord) , Hetzelfde als nesland; zie ald. Land buitendijks, dat blootstaat aan het buitenwater en door aanslibbing dikwijls aangroeit. Sinds de droogmaking van IJ en Wijkermeer is het woord een historische term geworden. Vgl. nes II, onbenest, uitnessen en nesaarde. Een der vier gedeelten van Assendelft, het eertijds aan het IJ grenzende, heette de Nes of het Nesvierendeel. || In Nesse in orienti quinque volchere, Oorkb. I, no. 204 (a° 1182-1206). Jans huurlant inden nesse, Hs. v. Egmont, f° 11 r° (13de e.). Die halve ven inde nes, Polderl. Assend. I f° 333 r° (a° 1600). De haling inde nes, ald. II f° 10 r° (a° 1600). – Het woord is ook elders in plaatsnamen zeer bekend. Vgl. ook Neslaan, Nesserland, Nessluis, Nesven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nes , nes , zelfstandig naamwoord de , Verouderd voor buitendijks, vaak door aanslibbing gevormd land, landtong. Het woord is verwant met neus, hier in de zin van: een als een neus vooruitstekend stuk land. In talrijke aardrijkskundige namen is het woord – zij het in verschillende vormen – bewaard, zoals in: Wijdenes, Eemnes, Scherpenisse, Terneuzen. Zie het N.E.W. onder nes 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nes , nesk , bijvoeglijk naamwoord , 1. Zacht, week, vochtig, drassig, gezegd van (buitendijks) land (verouderd). 2. Mal, aanstellerig, half zacht. Zegswijze ’n neske trut, een vreemd, aanstellerig meisje. – ’n Neske koe, koe die de melk onwillekeurig uit de spenen laat vloeien. Zie over de oorsprong van nesk het N.E.W. onder nes-2. Vgl. Fries nesk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal