elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nezig

nezig , [flauw] , nezig , (bijvoeglijk naamwoord) , flaauw, geeuwend. Hij is nezig, hij heeft den geeuwhonger, is flaauw ten gevolge van felle koude en holle maag.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
nezig , nezig , (bijvoeglijk naamwoord) , Flauw van de honger, tengevolge van felle kou en een holle maag. Thans naar het schijnt alleen nog beoosten de Zaan bekend; vroeger ook elders in de Zaanstreek. || Ik ben toch zo nezig. 24 Desemb(e)r was ick in Compaghnye op scha(e)tse nae Hooren, en voort nae Medenblick; tot Medenblick coomende was ick seer neesigh van honger gekoomen tot Valkes, daaer ick seer hartigh aen caabeliou schaft (geschaft heb) met sulcke smaack als ick oyt gegete hebbe, Journ. Caeskoper, 24 dec. 1671. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 72). Vgl. Ags. nihstig, nistig (uit ne-wistig, van wist, spijs), niet gegeten hebbende, hongerig (BOSWORTH-TOLLER 720a). Een zelfstandig naamwoord van dezelfde stam als wist, waarmee nezig, in geval van verwantschap met nistig, kon zijn samengesteld, is niet bekend. Wel bestaat het synon. ees, Ned. aas, voedsel, doch het is twijfelachtig of nezig hiervan gevormd is.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal