elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nietemijtig

nietemijtig , [nietig, zwak] , nietemijtig , (bijvoeglijk naamwoord) , nietig, zwak, onbeduidend, minvermogend. Ze is zoo nietemijtig, flaauw, traag, onlustig: wat zij doet is geen mijt waard.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
nietemijtig , nietemijtig , (bijvoeglijk naamwoord) , Nietig, gering, onbeduidend. Weinig gebruikelijk. || Dat’s te nietemijtig (het betekent niets). Ze is zo nietemijtig: of zij al helpt, dat geeft toch niks. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 72). Ook bij WOLFF en DEKEN, Econ. Liedjes (ed. 1792), 44. “Hoe nou? ... Mag ik niet ien zoen? Hartje, hoe ben je nou zo spytig, heb ik ietewat misdaan? ’k Zeg, dut is te niettemytig! Spreek, ei kom reis op de Baan.” – Vgl. nietemijt, niet een mijt, geen duit, niets (Taalgids I, 285; OUDEMANS, Wdb. op Bredero 229 en 243).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nietemijtig , nietemoitig , bijvoeglijk naamwoord , 1. Nietig, onbetekenend (verouderd). 2. Zeer onverdraagzaam (verouderd). 3. Zeer arm, minvermogend (verouderd). Het woord is ontstaan als een koppeling van ‘niet een mijt + -ig’. Een mijt is hier een heel klein muntstukje. Zie het N.E.W. onder mijt 2 en vgl. Boek. onder nietemijtig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal