elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nik

nik , nok , (mannelijk) , nokken , nik, hik, eene krampachtige aandoening van het middenrif.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
nik , nik , de hik (1904).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal