elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nog eens

nog eens , noggeres , (vrouwelijk) , w. nog een reis, nog eens. Hij wil het noggeres wagen. Van iemand die vlug in het aanleeren is zegt men: als hij het noggeres ziet, dan weet hij het ook.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
nog eens , naggers , naggeres , bijwoord , Nog eens. De vorm is ontstaan uit nog een reis = nog een keer. | Wul je nagger(e)s koike weer ie bloift?
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nog eens , ’t noggis , het nog eens
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
nog eens , nògges , bijwoord , nog eens; Cees Robben – Moette-me-noggus... k..k kkakhiele...(19560128);
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal