elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoekje

hoekje , [dood, verloren] , noksie , (mannelijk zonder meervoud) , Hij raakt om den noksie, d.i. dood. Het schip is om den noksie; verloren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
hoekje , noksie , oksie , (met klemt. op nok) , (zelfstandig naamwoord) , Daarnaast oksie. In de uitdr. om de noksie, om ’en oksie, dood, weg. || Hij is om de noksie. Ze zel wel om de noksie raken (sterven, van een zieke). De dokter heb er weer ientje om de noksie ’eholpen. Ze (zijn) schip is om de noksie (verongelukt). Hij zel wel om ’en oksie gaan (doodgaan). Ze gaat om ’en oksie (valt flauw). – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 73).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hoekje , noksie , in de zegswijze om de noksie. Zie ommenóksie. Vgl. Boek. onder noksie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hoekje , ukien , woonkeuken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hoekje , [hoekje] , heukien , hukien , 1. hoekje; 2. woonkeuken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal