elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nol

nol , nol , (vrouwelijk) , nollen , kleine heuveltjes, op een weiland, waarvan de bodem zacht en slap is. Deze nollen ontstaan veelal bij vochtig weer, wanneer het rundvee den grond stuk trapt, waardoor kleine bulten ontstaan, die vervolgens uitdroogen en hard worden. Een knap landman heeft weinig last van nollen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
nol , nol , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meestal in het meerv. nollen. Bultige, bonkige verhevenheden op een stuk weiland met zachte bodem. Bij vochtig weer trappen de koeien de grond stuk, waardoor oneffenheden ontstaan, die later uitdrogen en hard worden. || Je voeten doene zeer van ’et lopen op die bevroren nollen. – Ook in de naam van verschillende stukken land. Nol wijst hierin echter op grotere verheffingen van de bodem. || Onder Zaandam, in het Oostzijder-veld: “Het stuk achter de Nol (naam van zeker stuk weiland). – Te Assendelft: Claes Spiesen, de nollen aen de Braeck; Jan Cornelis Huypen, mede de nolle; Cornelis Ysbranden, mede de nolle genaemt (in Dirck Outgerses-weer), Maatb. Assend. (a° 1635). Willem Jansz. op Nauwertna, de nollen (in het Maddersweer), ald. – In de ban van Westzaanden: Noch 2 nolstrepen op die Wateringh, Polderl. Westz. II f° 60 v°. – Nol is in de zin van bonken op het land ook in de Beemster bekend (BOUMAN 73). Op Tessel betekent het woord zandhoogte, duin. || Nee de nollen gaan (naar het duin gaan). De Fonteinsnol, de Zetingsnol, enz. – In deze zin komt het woord ook voor bij Hollandse schrijvers uit de 17de e. || Aengaande van de duynkant of West-zyde van de Haerlemmer Meer, alsoo ’t gemene spreekwoort is dat sant-gronden leck sijn, dat is eensdeels also: maer hier van is een goede verseeckeringe, en dat om oorsaeck dat onder dit sant goede veen en kley leyt, gelijck als ’t selve dagelijcks blijckt en bevonden wort, door dien dat daer onder het sandt of nollen goede turf gegraven en gedolven wert, en onder het veen geen sandt en leydt tot aen de kley toe, LEEGHWATER, Haerlb.7, 25. Knyntjes sonder eynd, die noyt of selden vry, ontkruypen het gevaer in nolletjes en bergen, WESTERBAEN, Ockenburgh 59. Zie nog een paar plaatsen bij OUDEMANS 4, 619. – Als de naam van land vindt men het woord reeds in de Middeleeuwen. || Tres pecie terre in loco vulgariter up den nollen (te Wimmenum, a° 1357), Cart. v. Egmond, f° 68 v°. – Vgl. Mnl. nolle, kruin van het hoofd, Ags. knol, idem, Ohd. hnol, kruin, spits, heuveltop.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nol , [boomstomp] , nol , boomstomp.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
nol , nol , zelfstandig naamwoord de , 1. Zandige hoogte, binnenduintje. Het woord vinden we o.a. in de naam Nollen, buurtschap onder Oudorp. 2. Bultige, bonkige verhevenheden op weiland waarvan de bodem zacht en slap is. Ze ontstaan veelal bij vochtig weer, wanneer het vee de grond stuk trapt, waardoor kleine bulten ontstaan die uitdrogen en hard worden. Vgl. Boek. onder nol en zie het N.E.W. onder nol. Vgl. ook Engels knoll.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nol , nol , hoogte, zandheuvel, duin.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal