elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: omloop

omloop , [zwelling] , omloop , (mannelijk) , omloopen , rand, zuchtige zwelling om den voet van een paard of rund. Dat zal een omloop worden. Zij heeft een omloop om haar vinger.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
omloop , ōmmeloop , zie: hōndemieze.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
omloop , omloop , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Ook een stuk land dat om een ander heenloopt en het aan twee of drie zijden omsluit. Beide landen zijn door een sloot gescheiden. Synon. doolhof; zie aldaar. || Die gerechte helf van ses campges veen oft drie omloop (Assendelft, a° 1581), Hs. U. 19 f° 218 v°, prov. archief. Claes Jansz. cattecamp, is een omloop; Aelbert Biere hier beoosten, met een omloop; Pieter Joosten omloop, ghenaemt de Rietackers; Aechte Corneelis omloop buyter Delft; Aecht Cornelis breeveens omloop; Jan vant Veers omloop op Jan Ysbranden sloot; Jan Allert Cooningen omloop; Claes Duyvesz. omloop (alles te Assendelft), Maatb. Assend. (a° 1634). Zie ook uiteromloop en vgl. het elders in N.-Holl. gebruikelijke omloopdijk, dijk die om een gedeelte van een polder heenloopt (Ned. Wdb. X, 396).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
omloop , omloup , zelfstandig naamwoord de , Ook: gezwel om de nagelriem.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
omloop , ómluip , mannelijk , omloop. Euver die is ’nen houp kal in ómluip: over haar zijn vele praatjes in omloop.; ómloup omloop (roosachtige huidaandoening, verzwering).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
omloop , umloop , de , 1. omloop Der waren nogal wat van die postzegels in umloop (Sle) 2. galerij, stelling Een galerij in de karke is een ummeloop (Koe) (De omloop om de meul (Zey) 3. zwering (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe) Ummeloop um de naegels (Dwi) 4. omweg (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Hie meuik een heeile umloop, ...umweg um bij hoes te kommen (Eex), En dan hadden ze het over de arme schoolkinder, die zo’n omloop mussen maoken (N:Scho) 5. ronde Aj der deze umloop anblieven kunt, kriej een pries (Anl), Bij de eerste umloop kwam het hoes op 20.000 gulden (Gas) 6. (Veenkoloniën), in de spreuk ...twentig is ain stiege, dartig is ain ummeloop... (Vtm), z. ook riegel, stieg
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
omloop , ummeloop , de , (Zuidwest-Drenthe, noord) = kleine klusjes, lichte werkzaamheden An ummeloop wordt niet veule verdiend (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
omloop , ommeloop , zelfstandig naamwoord , de; omweg die men maakt om even te wandelen, rondje dat men loopt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
omloop , ömloüp , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , omloop , VB: Géld ién ömloüp bringe.; huiduitslag (bep. huiduitslag) ömloüp
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
omloop , umloup , zelfstandig naamwoord, mannelijk , omloop
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal