elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ongezouten

ongezouten , ongezouten , (bijvoeglijk naamwoord) , ongeredderd, ongemakkelijk. Hij kon het ongezouten hard zeggen. Dat zal daar ongezouten aankomen, ongeredderd aanbotsen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ongezouten  , ôngezalte , ongezouten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ongezouten , óngezaute , ongezouten; recht voor zijn raap.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ongezouten , ongezolten , ongezouten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ongezouten , ongezolten , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , ongezouten Geef mij mar een pond ongezolten spek (Eli), Ongezolten vleis kan niet duren (Wee), (fig.) Ik heb hum even ongezolten de waorheid zegd onomwonden (Anl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ongezouten , ongezoolten , bijvoeglijk naamwoord , ongezouten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ongezouten , óngezaote , ongezouten, recht voor zijn raap
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal