elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opper

opper , opper , een hoop hooi, kleiner of lager dan eene mijt. Van de prei in ’t veld zet men het daar doorgaans in (op of aan) oppers.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
opper , opper , (mannelijk) , oppers , hooihoop, kleine hooirook, van p. mannelijk 100 ned. ponden. In de zoogenoemde oude landen, waar het hooi te water vervoerd wordt, draagt men de oppers op twee stokken. Zie verder op het woord: rook.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
opper , ö̀pper , (mannelijk) , kleine hooistapel in het hooiland.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
opper , òpper , (mannelijk) , kleine hooistapel in het hooiland.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
opper , opper , kleine, ronde hooiberg in het land. Is het hooigras niet droog geworden, dan zet men het tegen den avond in kleine oppers om ze den volgenden dag weer over het land te verspreiden en op nieuw aan de zon bloot te stellen. Is dit wèl het geval dan maakt men grootere oppers en haalt die dan zoo spoedig mogelijk naar huis. Het einde van ’t hooien heet dan ook: oppern, of: in oppers moaken. oet opper mennen = uit den opper op den wagen steken, dus het hooi niet eerst uiteenstrooien. Noord-Hollandsch opper = kleine hooiberg, die door een paar man op twee stokken weggedragen wordt; Zuid-Hollandsch hopper = hoop hooi; West-Vlaamsch hopper, hoppel = hoop; een hopper hooi; een hoppertje mest. Bij de Bo kets, bij Weil. rook. hooihopper, Oostfriesch opper. (v. Dale: opper, hoop hooi op het veld, hooistapel; en: rook, roke = hooistapel; Weil. opper = rook = rook, hooistapel.) Zie ook: ragge; en: schildwacht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opper , oppertje , opper , (òppərtjə) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Luwe, tegen rukwinden beschutte plek bij het zeilen. || Nou hebben we ’en oppertje (een gunstige zeilwind). We krijgen anstonds ’en oppertje. Niet te min, sy bleven dus den geheelen Maendt rontom op de Dorpen leggen, want onder een oppertje was ’t goed zijn, SOETEBOOM, Ned. Schout. 333. – Overdr. ook een buitenkansje, voordeeltje. || Dat’s ’en oppertje. Ik heb ’en oppertje ’ehad. – Bij VAN DALE vindt men opper, opperd, schuilplaats, luwte tegen de wind; oppertje komt o.a. ook voor bij HUYGHENS, Hofwijck 2177, alwaar de dichter zich vergelijkt bij de zeeman, die, uitgeput door het tobben tegen de woedende baren, “het oppertje bezeilt, en buyten weer en wind” verblijd wordt door effen, kalm water.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
opper , opper , (òppər) , Zie de wdbb. – Opper staat in verschillende samenstellingen tegenover uiter, ter aanwijzing van stukken land, die aan weerskanten op zeker water liggen. Zo noemt men te Assendelft de landerijen aan deze zijde langs Twisch en Delft Oppertwisch en Opperdelft, en die aan de overkant van het water Uitertwisch en Uiterdelft. Vgl. Binnendelft en Buitendelft. || De Oppertwisch en de Uytertwisch (in Bosmans-weer), Koopbrief (a° 1769). Trijn jongh Wulmen oppertwis, Wouter jongh Wulmen suyder (noorder) oppertwis (in Dirck Jannen-weer), Maatb. Assend. (a° 1634). Dat opperdelftgen in Reiaelen-weer, Polderl. Assend. I f° 85 r° (a° 1600). – Evenzo: Maerten Geritsz. dOppervlusken, dzelve noch dvuytervlusken (in Claes Louwes-weer), Stoelb. Assend. f° 46 v° (einde 16de e). Die oppervlus, Polderl. Assen. I f° 300 r° (a° 1600). Vgl. vlus. – Anne Claes d’oppermaedt, ... d’uyttermaedt, Maatb. Assend. (a° 1635). Vgl. maad. – Die halve opperslubbing, die halve vuyterslubbing, Stoelb. Assend. f° 1 r° (einde 16de e.). Dirck Gerritsen suyder (noorder) opperslobbingh, Maatb. Assend. (a° 1634). Vgl. slobbing.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
opper , hoper , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Opper, hooiopper. – Als het gras gemaaid is wordt het op hopers gezet, die over het gehele land verspreid zijn; deze worden dan naar de schuit gebracht om naar huis gevoerd te worden. Soms worden de hopers eerst nog aan roken of aan jaagschuiten langs de kant van de sloot gezet en voert men deze dan weg. – Hoper is misschien een samentrekking van hooiopper; of is het een vervorming van opper, onder invloed van hoop, stapel? – Vgl. ophoperen en windhapper.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
opper , öpper , mannelijk , hooiopper
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
opper , upr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , uprs , uprken , 1 berg hooi, 2 stapel turf
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
opper , öpper , m , ’ne visöpper drijver om te vissen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
opper , öpper , opper , m , (hooi)opper. ’nen Hoiöpper is kliender as ’nen hoimiet. Een hooiopper is kleiner dan een hooimijt; stapel ’nen opper was Een stapel wasgoed.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
opper , öpper , mannelijk , öppesj , öpperke , dobber. Den öpper dreef mich in ’t kroet vas: het dobbertje was in het kroos verward geraakt.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
opper , opper , zelfstandig naamwoord , kleine berg bijeengebracht hooi, dat op het veld staat te drogen alvorens het op de hooiwagen geladen zal worden (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . Op kaart 129 van de Taalatlas vinden we dialectvarianten voor kleine hooiopper . Opper komt volgens deze kaart in het hele Nederlandse taalgebied wel voor, maar is juist in de provincie Utrecht vrijwel afwezig; hier vindt men westelijk hoop en oostelijk keu naast elkaar. Op de kaart grote hooiopper (Taalatlas nr. 130) blijkt opper een typisch niet-westelijke vorm; de isoglosse loopt in de provincie Utrecht langs Vecht en Kromme Rijn. Ten westen en zuiden hiervan zegt men hoop , de westelijke vorm.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
opper , opper , de , opperwachtmeester Een opper haj bie de plietsie en de marechaussee (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opper , öpper , opper, upper, höpper , de, het , öppers , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid; Zuidwest-Drenthe, noord alleen in bet. 2.). Ook opper (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), upper (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), höpper (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. opper, hoop gedroogd gras Der lig nog een opper in het kaampie, die kuj op de kaor wel holden (Eex), Oet de öpperties strèeien grasoppers losgooien om te drogen (Sle), Hij springt er op as een bolle op een öpper heui (Die), z. ook ragge II 2. grote hoeveelheid (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wat een öpper volk veel mensen (Sle), As hij wat zunig andöt, kan hij der een öpper mit doen (Noo), Al speulende een höpper leren (Pes), Wat heb ij een öpper wunnen met knikkern (Sle), Van die rommel hef hij een hiel höpper liggen (Ruw), Hij had een hiele öpper zitten een grote voorraad, hoeveelheid (Hgv), Hij kan een hele öpper op (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opper , opper , hoop.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
opper , opper , hooiopper.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
opper , óppers , hoopjes , Hóój wa bekant dréúg is wier nog éfkes óp óppers gezèt um wéijer te dréúge. Hooi wat bijna droog is werd nog een tijdje op hoopjes gestapeld om verder te drogen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
opper , opper , zelfstandig naamwoord , de 1. elk der grote hopen waarin men het hooi plaatst voordat het van het land wordt gehaald 2. hooiopper, elk der kleine hopen hooi gemaakt na het schudden 3. grote hoop anderszins; oppertien, et 1. hooiopper 2. kleine hoop
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opper , opper , zelfstandig naamwoord , de 1. opper bij de politie, bij de marechaussee 2. opperman
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opper , öpper , zelfstandig naamwoord mannelijk , öppers , öpperke , hoofd , VB: Doég dich 'n möts op d'nnen öpper vuur dats te nao boéte gèis.; dobber VB: D'n öpper goûng nao oonder en wie Bèrke de lyn iénhool zaot 'nne groete sjnook draon.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
opper , opper , upper , 1. hooistapel op het land; 2. grote hoeveelheid (ontlasting).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
opper , opper , een grote hoop hooi, zie ook hoes, hoest
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
opper , opper , zelfstandig naamwoord , oppers , öpperke , 1. opperwachtmeester (politie) 2. opperman, helper van de metselaar, die specie aanmaakt en stenen aanbrengt 3. opgetast hooi
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
opper , öpperke , zelfstandig naamwoord , öpperkes , hoopje (hooi) zie ook hoest
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
opper , öpper , zelfstandig naamwoord, mannelijk , öppers , öpperke , opper
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
opper , uupert , iepert , zelfstandig naamwoord , "bed; Henk van Rijen - bed; WTT 2012 - Dat uupert of iepert ‘bed’ betekent, zou te verklaren zijn omdat men ‘naar boven gaat’ als men gaat slapen, en meer in het bijzonder omdat veel (boeren)woningen vroeger een opkamer hadden. Bewijsplaatsen voor deze verklaring (ieper > opper > opkamer) zijn tot nu toe echter niet gevonden. De opkamerverklaring werd voor het eerst gesuggereerd door Pierre van Beek, en is sindsdien ruim overgenomen. Van Beek: Wanneer iemand “in z’nen ieper” of “iepert” of “upert” kruipt, gaat hij naar bed. De vreemde woorden komen van “uper” of “opper”, dat “boven” betekent. Slapen deed men vaak boven. We kennen nog wel in de oude huizen de “opkamer”, die steeds; boven de kelder lag (TTP 3-1-1969). Ook Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilbörgse taol geeft deze uitleg zonder enige twijfel. Dat is vreemd, aangezien een betere verklaring bekend had moeten zijn. In de aantekeningen van Wil Sterenborg (waarop Goedgetòld gebaseerd is) benoemde Sterenborg het verband met de bouwvakker en de opkamer al als ‘twijfelachtig’. zie Ieper(t) In Een tien voor Robben (1988) stelt de Oostbrabantse dialectkenner Cor Swanenberg zelfs kort en duidelijk: ‘We denken dat ieper van oorsprong identiek is met de Meierijse opper en uper, die hooihoop betekent.’; iepert; bed; waarschijnlijk van 'òpper', opgestapeld hooi; WTT 2012 - de ontwikkeling kan dan zijn: òpper > upper > uuper > ieper; - Sterenborg: Verwantschap van iepert met uupert is twijfelachtig. WS - Suffix t zou beter d kunnen zijn. Verwijzend naar bed, slaappplaats; - hij leej betèds in zenen iepert - Hij ligt vroeg in bed. Cees Robben – tenaacht leuterde wir in oewen iepert... (19731005); Cees Robben – Zôdde naa wille dek uit munne ieper kwaam... (19680202); Piet van Beers – ‘Griepepidemie’: Wè zèède toch ònt sjouwe buurman,/ isser iets meej jullie Miep.?/ —Jao, die leej sins giesteremèèrge/ in derren iepert meej ""de griep"". (Spoeje doemmeniemer; 2009); Piet van Beers – ‘Zêever’: tot derre wekker smèèrge's bromt:/ Tèèd dègge öt oewen iepert komt. (Spoeje doemmeniemer; 2009); Stadsnieuws:  Sondags komtie nie vur èlleven öt zenen iepert; tis tòch schaand war! (310310); Vunderink - Komt öt oewen iepert, jè komt er mar èùt. (Henriëtte Vunderink, Kaawe jatte, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); Verwijzend naar nijpen, knijpen; Frans Verbunt, Tilburgs voor Tonpraoters (7e, 1996):  in zenen iepert zitte - in de knel; 'm knijpen; Ontkoppeling; WTT 2012 - Sterenborgs suggestie (boven) is dus dat er oorspronkelijk een verschil is geweest tussen 'iepert' en 'uuper'. 'Ieper' zou dan betrekking hebben op 'knijpen, nijpen, kniepen, niepen, terwijl 'uuper' op een slaapplaats betrekking heeft. zie uuper"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal