elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opperkeur

opperkeur , [meester] , opperkeur , (mannelijk) , opperkeuren , opperbaas, meester, haantje de voorste. Het is een opperkeur, hij is uitgeleerd. Men zegt hier ook wel opperteur.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
opperkeur , opperkeur , zelfstandig naamwoord de , 1. Opperbaas, meester. 2. Haantje de voorste. (verouderd). Mogelijk is het woord een variant van oppereteur. Zie aldaar.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal