elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opsteken

opsteken , opsteken , (transitief werkwoord) , aansteken, de pijp aansteken. Laten wij eens opsteken, hij heeft zijn pijp opgestoken. Wij gaan onderweg bij vriend A opsteken, d.i.: hem even bezoeken en onze pijp opsteken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
opsteken , opsteken , van het haar, door middel van haarspelden; zij het ’t opstoken hoar; geld aan iets verdienen, in den zak steken, inzonderheid ontvangen van fooien; voor: opgaan. (dien kant) uitgaan; hij stekt in ’t west op = hij gaat (uit) in westelijke richting. Hiervoor ook: steken; zij bin noa de Brei stoken = den kant van Breede opgegaan, ook: zij willen te Breede een bezoek afleggen. Zie ook: opsteker.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opsteken , opstèken , Oplaten. De vl(i)eegerd opstèken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
opsteken , opstèken , Oplaten. De vl(i)eegerd –.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
opsteken , opstéke , In zich opnemen. Ge stékt ’r allicht wa van op! Je leert er wellicht iets van.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
opsteken , opsteke , werkwoord , Ook: 1. Een kort bezoek brengen. Eigenlijk niet langer dan nodig is om even een pijp op te steken of te roken. 2. Onderweg een café(-restaurant) aandoen. | We hewwe opstoken in ’n kefeetje onder Alkmaar. Zegswijze opsteke in de groene herreberg, onderweg rusten in de berm, het paard rust gunnen en even in de berm laten grazen (verouderd). – Droug opsteke, onderweg rusten zonder een café aan te doen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
opsteken , ópstééke , hooi met de gaffel opsteken bij het laden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
opsteken , opstekken , stak op, op estökken , 1. aansteken; 2. opsteken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
opsteken , opsteken , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. opsteken Hie zit er wal bij, mor hie stek er niks van op leert er niets (Sle), IJ moet eerder je vinger opsteken omhoogsteken (Emm), Die hef het haor op esteuken (Pes) 2. lossteken van aardappelstammen As de andern hen melken gungen, mus ik de eerappels opsteken (Bov) 3. opschudden bij het vlegeldorsen, (zelfst.) Bai het opsteken kommen de koppen, die onder lagen, bovenop te liggen (Row) 4. aanleggen, pleisteren Dommiet moj even anholden, dan wiw even opsteken (Eev), Zij hebt onderweg een paar keer opsteuken (Hgv) 5. aansteken Wacht nog mar èven mit laamp opstikken, ie kunt het nog wel zien (Bro), Ik gao de lantèerns opsteken (Sle) 6. naar boven steken, schoven of hooi met een vork opsteken De touscheiter stak ze op naor de bult (Bco) 7. op de pennen zetten (md) Mij dunkt, ik mus een paor hozen opsteken 8. bij zich steken (be:Eel) Het geld opsteken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opsteken , opsteuken , iemand tot iets kwaads aanzetten; z’n eigen ópsteuken, zich opwinden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
opsteken , opstikken , werkwoord , 1. omhoog brengen door te steken 2. opwaarts houden 3. omhoog doen en vastmaken (van het haar) 4. door te steken aanIets bevestigen 5.In wat/niks opstikkenIets/niets leren, zo ook d’r wat/niks van opstikken erIets/ niets van leren, wijzer van worden 6. aansteken, doen ontbranden 7. aanleggen, aansteken 8. aanbreken 9. drinken, proosten 10. hard gaan waaien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opsteken , opsjtëke , werkwoord , opsteken , (zie 'steken') VB: Kêns te neet hélpe d'n ous ién te hoële, daan kêns te de bössele opsjtëke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
opsteken , opstèken , (werkwoord) , opsteken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
opsteken , opsteken , een kort bezoek brengen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
opsteken , opstaeke , opsteken , De haor opstaeke. Ein segrèt opstaeke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
opsteken , opstaeke , werkwoord , stiktj op, staak op, opgestoeëke , 1. opsteken 2. geperste balen stro met een hooivork oppakken en omhoog tillen om op een kar te laden 3. omhoogsteken 4. aansteken (een kaars)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
opsteken , opstaeke , werkwoord , stiktj, stoeëk/stook, opgestoeëke/opgestoke , licht aandoen, kennis opdoen, eme -, iemand ophemelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal