elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pofferig

pofferig , [opgeblazen] , pofferig , (bijvoeglijk naamwoord) , opgeblazen, opgezwollen. Een pofferig gezigt. Hij ziet er erg pofferig (poffig) uit. Men gebruikt hier bij verwisseling pofferig en poffig.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pofferig , pofferig , (pòfferǝch) , (bijvoeglijk naamwoord) , Opgezet, opgezwollen. Synon. poffig. || Ze heb zo’n pofferig gezicht. Wat zag-i er pofferig uit. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 82) en in het Stad-Fri. – Vgl. Ned. pof, gezwollen, opgeblazen; pof, bof, bol opnaaisel op een kledingstuk (VAN DALE; Ned. Wdb. III, 247).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pofferig , poffig , (pòffǝch) , (bijvoeglijk naamwoord) , Hetz. als pofferig; zie aldaar. || Wat heb dat kind ’en poffige wangen. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 82) en in Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pofferig , pofferig , bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = zwaar lopend Die lop er zo pofferig hen (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pofferig , pofferig , dik, opgeblazen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pofferig , pofferig , fofferig , bijvoeglijk naamwoord , 1. dik, vadsig, opgezet (van het lichaam, vaak vooral van het gezicht) 2. voos, bijv. pofferige rediezen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal