elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: papperig

papperig , [zacht] , papperig , (bijvoeglijk naamwoord) , week, zacht, bol. Het land is papperig, zeggen de boeren als de grond waterig en slap is. Het land is nog te papperig, te pappig om het vee te kunnen dragen. Het is slecht, papperig land, moerassige grond.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
papperig , papperig , (bijvoeglijk naamwoord) , Pappig, week, bol, van de grond. || Dat stuk land is ok niet veul waard, ’t is zo papperig. ’t Land is nag te papperig, ’et ken ’et vee niet dragen. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 78).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
papperig , papperig , bijvoeglijk naamwoord , Pap-achtig, brijachtig, modderig, drassig. | ’t Is van dat papperige land.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
papperig , papperig , paperig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook paperig = met weerhaakjes Ie mut de haarhamer recht op de snee van de zende holden, dan kriej hum niet papperig (Ruw), De zwao is papperig haord (Rol); (Zuidwest-Drenthe, noord) = takkig van een zeis Die zende is paperig, die is verkeerd ehaerd (Dwi), z. ook takkerig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
papperig , papperig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vochtig (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Veurjaors is het laand nogal papperig (Hgv), Met die opdaoi is de grond vaok papperig (Eex) 2. als pap De specie is papperig (Anl), Die erpel bint zo meelderig; aj niet oppast met kokken, wordt ze papperig (Scho) 3. dik, opgeblazen ...niet arg gezond, zo papperig en opgeblaozen (Nam), Hij zaag wat papperig toe ongezond dik (Dwi) 4. geil, met veel loof (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
papperig , papperig , bijvoeglijk naamwoord , 1. week en nat, brijachtig 2. enigszins vochtig 3. dik maar niet stevig, bijv. een papperige jonge meid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal