elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: penterig

penterig , [opgeblazen] , penterig , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie op papperig.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
penterig , penterig , (bijvoeglijk naamwoord) , 1) Week, pappig, bol, van de grond (Wormer). || ’t Land bij de dijk is toch zo penterig, de beesten zakken er deur. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 79). 2) Bij vissers. Penterige aal, dunne schrale aal, die men echter nog verkoopt. Bij de penterige aal vindt men soms flinke alen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
penterig , penterig , bijvoeglijk naamwoord , Papperig, week. | ’t Is penterig land.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal