elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pietlut

pietlut , pietlut , (mannelijk) , pietlutten , onnoodige beweging. “Wat heeft hij een pietlut,” zegt men van iemand die over eene geringe zaak, een onbeduidend leed, hetzij reeds aanwezig, hetzij te gemoet gezien, veel drukte maakt. Wat heeft dat mensch een pietlut op zijn lijf. Maak maar zoo’n pietlut niet. Zie Navorscher: XII, 279.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pietlut , pietlut , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Kouwe drukte. 2. Bemoeiziekte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pietlut , pietlut , pietluttig, pietluttelig , de , pietlutten , kleingeestig persoon Wat is dat een pietlut, die kèrel (Sle) pietluttig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal