elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pijpengaal

pijpengaal , piepegalen , (mannelijk, vrouwelijk) , van piepegaal, korriewagen, of aardwagen. Bij het droogmaken van de Beemster kende men die korrie- of aardwagentjes reeds onder den naam van piepegalen. Ze werden misschien zoo genoemd naar het piepend geluid dat zij maken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pijpengaal , piepegaal , zelfstandig naamwoord de , Kruiwagen die gebruikt werd door grondwerkers en voor het vervoeren van zand en grint. Mogelijk is het een klanknabootsend woord bestaande uit piepen en het element gaal, afleiding van verouderd galen = zingen, gillen. Vgl. Nederlands nachtegaal. Vgl. Fries pipegael.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pijpengaal , piepegaol , piepegaal, piepegaaltsje, piepegaalkroje , zelfstandig naamwoord , de 1. (vaak verkl.) pijpengaal, bep. kleine kruiwagen met smal wiel 2. wiel van een kruiwagen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal