elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plussen

plussen , [roeren, kloppen] , plussen , (transitief werkwoord) , roeren, mengen, kloppen, meelbeslag maken; meel plussen. De vrouw plust het meel met melk en eieren en bakt er pannekoeken van, op een feestdag doet zij gest en krenten in het plussel en bakt boffers. Van daar pluspot, pluslepel, plussel. Eigenlijk blutsen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
plussen , plussen , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , 1) Slaan, plassen in water of enige andere vloeistof, zodat het een klotsend geluid geeft; plus-plus doen. || Plus niet zo mit je riem in ’t water, ik wor (wordt) helegaar nat. – Ook: zachtjes voortroeien. || Hij pluste zo maar voort mit die grote pluut (schuit), maar-i kwam er toch. 2) Deeg beslaan, meelbeslag maken. || Moeder is an ’et plussen; we eten vanmiddag pankoek. Ze plust ’et meel en de melk en eieren deur mekaar. ’t Is nou genoeg ’eplust. – Vgl. pluskels, plussel, pluslepel en pluspot. Het woord is ook elders in N.-Holl. gebruikelijk (Taalgids 1, 291; BOUMAN 81). Vgl. Ndd. plutschen, in het water plassen (SCHAMBAch 157).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
plussen , plusse , ploske, plosse , werkwoord , Plutsen, klutsen, meelbeslag maken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
plussen , plussen , werkwoord , in zitten te plussen en te minnen de voor- en nadelen afwegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal