elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: poetsen

poetsen , poetsen , (transitief werkwoord) , schuren, gladmaken, schoenen poetsen, “de plaat poetsen;” deze spreekwijze heeft de beteekenis van: wegloopen, den dienst verlaten. Hij heeft de plaat gepoetst, is heen gegaan. Men meent dat dit spreekwoord aan den krijgsmanstand ontleend is; ik geloof dat de oorsprong niet zoo ver te zoeken is, ik denk aan de zindelijke huisvrouwen van vroegeren en lateren tijd toen de vuurhaarden, dat is de plaat en het staande ijzer zilverblank geschuurd werden. Menige meid heeft de plaat gepoetst en is weggeloopen, omdat zij dit tijdverspillend en moeielijk werk, de overdreven zindelijke vrouw toch nog niet naar den zin kon maken. Dikwijls moest de knecht helpen schuren. Dat plaatschuren moest telken morgen weer herhaald worden; en ultra zindelijke vrouwen, waren maar niet te vreden, als er geen vol uur aan besteed werd.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
poetsen , pûtsen , (zwak werkwoord) , poetsen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
poetsen , pōtsen , poetsen; fig.: hij zel hōm wel pōtsen = hij zal het wel bedisselen, dat varken wel borstelen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
poetsen , poes , poetsen. Je mot je tande nog poese (helaas was dit voorschrift niet algemeen).
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
poetsen , poese , werkwoord , 1. Poetsen, in de zegswijze ’m poese, de plaat poetsen, er vandoor gaan. 2. Vleien. Vgl. opsmere.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
poetsen , pótse , pótsde, haet of is gepóts , poetsen, schoonmaken. De póts: de grote schoonmaak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
poetsen , poetsen , zwak werkwoord, overgankelijk , poetsen In de olde boerderije hadden wij nog zoe’n potkacheltien, zoe’n jeudtien, die mus elke week epoetst worden (Hav), Alle weken moej wel keuper poetsen (Nije), Hij hef de plaat poetst is er vandoor (Bui), Van koeien wordt wel ezegd: aj ze van binnen mor poetst [goed voer geeft], dan wordt ze van buten wel glad (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
poetsen , poetsen , poetsen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
poetsen , poese , werkwoord , poes, poeste, gepoest , poetsen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
poetsen , pôtse , werkwoord , pôtse, gepôts, pôtsenterre , poetsen , VB: Koëper pôtse , z'n tan pôtse. Zw: De pläot pôtse.; schoonmake VB: Ich môt boëve nog pôtse, oonder heb ich al gedoën.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
poetsen , poetse , werkwoord , poetsjtj, poetsjdje, gepoetsjdj , 1. poetsen; de sjoon poetse – de schoenen poetsen zie ook wikse 2. schoonmaken; het hoes poetse – het huis schoonmaken; de auto poetse – de auto wassen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal